Willem de Clercq groeide op in een verlicht doopsgezind milieu. Van jongs af aan leerde hij dat godsdienst bedoeld was om je te leren goed en deugdzaam te leven. Jezus Christus was het grote voorbeeld dat je moest navolgen, niet het lam dat in onze plaats geslacht was voor onze zonden. Vol ijver deed De Clercq zijn best om te voldoen aan de hoge idealen die hij zichzelf stelde, in de overtuiging dat dat mogelijk, noodzakelijk en voldoende was om eeuwig leven te verdienen.

Niets wees er dus op dat hij een van de voormannen zou worden van een orthodox-gereformeerde opwekkingsbeweging, het Réveil. Voordat De Clercq tot de overtuiging zou komen dat hij zelf niets aan zijn behoud kon, mocht of hoefde bij te dragen, was er een radicale bekering nodig. Nu is radicaal niet hetzelfde als plotseling. De Clercq groeide er als het ware naar toe. Zijn idealen kon hij niet bereiken en dat stemde hem moedeloos. De gezapige, middelmatige deugdzaamheid die hij om zich heen zag, vervulde hem met wrevel. Hij voelde een innerlijke leegte en had behoefte aan iets anders.

Op de avond van 2 augustus 1821 vond hij dat. In zijn dagboek deed hij er de volgende dag natuurlijk uitgebreid verslag van.

Heerlijk, onvergetelijk, heilig, onbeschrijfbaar was voor mij de avond van gisteren. Waarmee zal ik hier beginnen, waarmee zal ik eindigen en hoe zal het loflied ten hemel stijgen voor de dank aan de Vader van al het goede, aan de vlekkeloze bestierder van ons lot voor zoveel onverdiende zegen? Was er niet zo dikwijls in mijn borst strijd over de lauwheid van mijn godsdienstige begrippen gerezen? Had niet die onzalige gewoonte bij ons om belijdenissen op te stellen, welke de uitdrukking van het begrip van onze godsdienst met een enigszins belletristische toon verenigt, ook bij mij een noodlottige indruk nagelaten? Herinner ik mij al die ogenblikken die plechtig op mijn gevoel werkten, al die belangrijk voor mijn godsdienstige begrippen waren: het kleine verschil van denkbeelden tussen mij en mijn toenmalige geliefde in de lanen van Rupelmonde, de heilige aandoening bij enige avondmalen of de diepe ontroering op de dag toen ik Stillings ‘Dood’ las? Hoe dikwijls vroeg ik: is dit christendom? En hoe dikwijls besefte ik stellig dat christendom meer was dan dat rationele waarvan ieder maakt wat hij wil, en dat soms wrevel doet geworden, daar geen positief denkbeeld zich daarbij verenigt?

Enkele maanden eerder had De Clercq de dichter Isaäc da Costa leren kennen, juist in een tijd dat De Clercq door privé-omstandigheden in een diep dal verkeerde. In 1817 was zijn vader plotseling overleden, een jaar later was De Clercq, jong en nog vrij onervaren, terecht gekomen aan het hoofd van het familiebedrijf, een handelsfirma in granen. Als gevolg van zijn onervarenheid en naïviteit werd hij opgelicht. Bovendien kelderden in 1820 de graanprijzen. De firma S. & P. de Clercq ging langs de rand van de afgrond.

In Da Costa vond De Clercq een zielsverwant. Iemand die ook een hekel had aan het gezapige culturele klimaat. Maar op het vlak van het geloof zag De Clercq een gapende kloof. Da Costa was geen christen, maar een Jood.

Nu leerde ik Da Costa kennen, bewonderde de hoogte van zijn geest, de verheffing van zijn genie en ik kan niet ontveinzen dat het denkbeeld dat deze Jood was, dat met al de verheffing van ziel hij een leer trouw bleef geheel vijandig aan de mijne, wier aankleving de vervloeking van mijn zaligmaker met zich bracht, mij een ogenblik in mijn godsdienst deed weifelen, te meer daar de zo enthousiastische man die mij Da Costa moest leren kennen, mij reeds gewaarschuwd had mij met hem in dezen niet in te laten, daar deze alles onderzocht had, en nu moest Da Costa mij toeschijnen als de Christus in de heerlijke en schmerzvolle ‘Phantasie’ van Jean Paul, die tot het rijk van de doden weerkomt en zegt: ik heb de vader niet gevonden.

Maar wat De Clercq niet wist, was dat Da Costa in het geheim wel degelijk christen was. Tijdens zijn studie in Leiden had hij privaat-colleges gevolgd bij Willem Bilderdijk en onder diens invloed had hij zich samen met zijn neef Abraham Capadose bekeerd tot een orthodox-gereformeerd christendom. Maar natuurlijk lag dat uitermate gevoelig in het Joodse milieu waarin zij verkeerden en daarom hielden ze hun bekering vooralsnog geheim. Vandaar dat De Clercq er niets van wist. Toch proefde hij wel dat er iets aan de hand was.

Tot dusver bleef ik dan op een afstand met Da Costa, doch verwonderde mij telkens, als hij met de hoogste eerbied de woorden van ons Evangelie aanhaalde, of met een onbegrijpelijke scherpzinnigheid de punten vaststelde, waar zich Joden en christendom verenigen. Twee avonden hadden wij dus bij elkander doorgebracht, hij had mij letterkundig, historisch, ja op alle wijzen onderwezen. Nu hoorde ik de pinksterpreek van Ter Borg die mij zo als ik eerder schreef, uitstekend trof, en waarbij mij de gedachte opeens beving om Da Costa tot onze wijze van denken te moeten overhalen of liever, want dit is te flauw, in die gelukzaligheid te moeten doen delen. Ik gevoelde dat dit moest sterker dan ik immer iets voelde, maar ik durfde niet tot hem gaan, niet daarover spreken en gelijk Samuel die aan Eli het gedrag van zijn kinderen niet durfde aanklagen, zo bleef ik hier gelijk in zovele andere zaken, ook door mensenvrees terug.

Hij sprak er met zijn vrouw over en zij was het met hem eens dat hij met Da Costa over het geloof moest praten. Ondertussen werd de vriendschap met Da Costa steeds hechter en intiemer. Da Costa kwam zelfs langs toen De Clercq en zijn vrouw op 29 juli hun driejarig huwelijk vierden, waar De Clercq heel blij mee was. Enkele dagen later ontmoetten ze elkaar weer bij Da Costa thuis. Samen lazen en bespraken ze het concept van De Clercqs Verhandeling over de invloed van de buitenlandse letterkunde op de Nederlandse. Met die Verhandeling zou hij een belangrijke prijs winnen en zou zijn naam als letterkundige voorgoed gevestigd zijn. Maar het gesprek ging verder. En toen spraken beide vrienden zich uit. De Clercq uitte zijn gevoelens. Da Costa onthulde zijn geheim.

Eindelijk had ik Da Costa op de afgelopen feestdag als vriend, als mens in de rei van de mijnen en met onuitsprekelijk genoegen gezien, en nu ging ik weer tot hem. Nadat wij enige alleraangenaamste ogenblikken in het letterkundige door de nalezing van mijn Verhandeling en beoordeling van dezelve doorgebracht hadden, stonden wij gewoonlijk op, en werd ons onderhoud gedurig belangrijker. Nu gaf God mij kracht en moed, legde mij om dus te spreken het woord in de mond, en toen hij iets nader begon te treden, toen hij de mogelijkheid dat hij eens christen kon worden meer en meer begon daar te stellen, toen de scheiding geheel en geheel fijner werd die nog de leerling van Mozes van die van Christus afscheidde, durfde ik hem dat meedelen wat ik gevoeld had, en wat ik naderhand zo als altoos bij de mens geschiedt aan een soort van verbeelding had toegeschreven. En wat was nu mijn gevoel toen ik op dat ogenblik de man die als vernuft, als genie alles voor mij was, opeens als christen voor mij zag staan? Beschrijven kon ik niet wat ik gevoelde. Stomme aanbidding voor de wegen van God was alleen alles hetgeen ik uitspreken kon. Overtuiging van mijn ellende en nietigheid.

Die laatste zin is cruciaal. Enkele weken eerder had hij nog geschreven dat ‘het gereformeerde denkbeeld van nietswaardigheid er volstrekt nog niet’ bij hem in wilde. Hij dacht toen juist nog dat als Da Costa ooit tot het christendom bekeerd zou worden, hem dat zou kunnen genezen van ‘zijn overdreven begrippen over de vervallen staat van het mensdom’.

Het liep een beetje anders. Niet De Clercq bekeerde Da Costa, maar Da Costa bekeerde De Clercq. Opeens begreep hij dat Da Costa’s pessimistische, conservatieve mensbeeld niet Joods of in elk geval onchristelijk, maar juist christelijk was. En dat was voor hem het zetje dat hij nodig had om definitief afscheid te nemen van het verlichte, rationalistische geloof waar hij mee opgegroeid was. Geloven moest niet beheerst worden door de rede.

En nu, nu ik deze zelfde man mij dat christendom sterker, sterker aandrong dan ooit een christen mij gedaan had, toen hij mij die leerstukken tegen welke ik opzag reeds bij de oudste overleveringen der mensheid aantoonde, toen hij mij het gehele Mysterie van het christendom aankondigde en ik voor een geheel terug beefde dat ik nimmer zodanig ingezien had – nu, nu gevoelde ik het denkbeeld om met God en de vorsten geen Constitutie te maken en geen goddelijkheid bij de een, geen gezag bij de ander schrede voor schrede te beknibbelen.

Bovendien was geloven leven uit genade, geen verdienste in eigen kracht. In dit nieuwe geloof vond hij de bevrediging van zijn verlangen naar bezieling, naar een krachtbron die hem echt kon helpen bij het vervullen van zijn idealen.

O nu zag ik een deel van de leiding van zijn en mijn lot in. Nu dankte ik vuriger dan ooit. Nu was mijne vrouw mij heiliger, dierbaarder dan immer, en dat ledige dat nu en dan nog mijn boezem gehinderd had, was geheel verdwenen. Alles was vol van aanbidding onderwerping en liefde. Iedere nadere uiteenzetting, ieder gebed, hier waar alles gebed en bewondering zijn moest, is hier overtollig. Nooit meer was mij de overtuiging meer levendig, dat het christendom geen rok moet zijn die wij af- en aannemen maar wel de innige overtuiging van ons hart, zodanig dat ons geheel leven christendom wordt.

O met welke heilige aandoening heb ik nu naar huis en dan aan de onvergetelijke vrouw kunnen terugkeren. Nog heerlijker dan ooit stond zij daar voor mijn blik.

In heel zijn leven leven als christen. Thuis en in de maatschappij. Als echtgenoot en vader en ook als letterkundige en handelsman. Dat werd De Clercqs nieuwe ideaal. Maar voor iemand die van nature een idealist was, ging dat niet zonder slag of stoot. Heel zijn leven bleef hij worstelen met de vraag hoe hij de opdracht om heilig te leven in balans moest brengen met het leven uit genade.

Bron

Willem de Clercq, Particuliere aantekeningen 1820-1821, vr. 3 aug, blz. 21a-d.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in