Ik zing altijd graag Psalm 51. Je weet wel, die psalm waarin David belijdt hoe door en door zondig hij is:

Want tegen U, want tegen U alleen
heb ik gezondigd. Red mij van het kwade.
In diep berouw belijd ik U mijn daden,
hoor naar de donkre stem van mijn geween.
Ik heb gedaan wat kwaad was in uw oog,
ja, ik erken, ik ben uw gunst niet waardig.
Gij zetelt in gerechtigheid omhoog,
uw woord is waar, uw vonnis is rechtvaardig.
(Psalm 51:2 Gereformeerd Kerkboek)

Ook geniet ik altijd erg van preken waarin ik indringend geconfronteerd wordt met mijn verdorven aard, met mijn neiging om steeds maar weer bij God vandaan te lopen, om Hem steeds maar weer ongehoorzaam te zijn en altijd maar weer mijn eigen gang te gaan, mijn eigen zin te doen, mijn eigen belang te zoeken.

Raar hé?

Is dat niet vreselijk deprimerend?

Blijf ik dan niet hangen in mijn zonden, zonder ooit een stap verder te komen in een vernieuwd, heilig leven? Demotiveert dat niet om blijmoedig Jezus te volgen?

Volgens mij niet. Integendeel.

Ik vergelijk het altijd met een hoge berg. Wanneer ervaar je het duidelijkst hoe hoog een berg is? Als het dal diep is. Wanneer ervaar je het meest hoe diep een dal is? Als de berg hoog is. Hoge bergen en diepe dalen hebben elkaar nodig. Anders zijn ze onzichtbaar.

Zo is het ook met emoties. Blijdschap en droefheid versterken elkaar. Als je nooit echt verdriet hebt gekend, weet je ook niet wat echte blijdschap is. Je gevoelsleven blijft vlak. Oppervlakkig zelfs, misschien.

Voor een deel is dat een karakterkwestie. Sommige mensen ervaren van nature gemakkelijker ups en downs in hun emoties dan anderen. En de een is meer een pessimist, terwijl een ander vaker optimistisch is.

Maar het heeft volgens mij ook te maken met levenservaring. Als je veel verdriet meegemaakt heeft, zul je vreugde waarschijnlijk dieper ervaren dan iemand die altijd voorspoed gekend heeft.

Alleen, dan is het wel nodig dat je je pijn en verdriet verwerkt hebt. Anders kan het een blokkade vormen die het je onmogelijk maakt om vreugde te ervaren. Maar als die blokkade is opgeruimd en het verdriet niet meer is geworden dan een pijnlijke herinnering, een litteken dat voor de rest van je leven met je meegaat, dan kan juist die herinnering ervoor zorgen dat je de vreugde die vervolgens op je weg komt, extra intens ervaart.

Omdat je beseft hoe diep het dal is, besef je ook hoe hoog de berg is.

Dat het zo ook werkt in ons geloofsleven, als het gaat om zonde en genade, laat Jezus zien in een gelijkenis.

Jezus is gast bij een maaltijd in huis van een farizeeër met de naam Simon. Terwijl Jezus aan tafel aanligt, komt er een vrouw binnen die zijn voeten nat maakt met haar tranen. Vervolgens droogt ze ze af met haar haren, kust ze ze en zalft ze ze met mirre. Schokkend! Deze vrouw staat algemeen bekend als zondares! Waarom laat Jezus dit toe? Als Hij een profeet is, weet Hij toch zeker wel wat deze vrouw allemaal op haar kerfstok heeft? Dan wil Hij toch zeker niets met haar te maken hebben?

Simon denkt al deze dingen bij zichzelf, zonder ze hardop uit te spreken. Maar dan laat Jezus zien dat Hij inderdaad alles weet. Hij kan Simons gedachten lezen en spreekt hem rechtstreeks aan.

Jezus zei: Een zekere schuldeiser had twee schuldenaars; de één was vijfhonderd penningen schuldig en de ander vijftig. Toen zij niets hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan: Wie van hen zal hem meer liefhebben? (Lucas 7:41-42 HSV)

Dat is geen moeilijke vraag, toch? Jezus’ gastheer hoeft in elk geval niet lang na te denken.

Simon antwoordde en zei: Ik denk dat hij het is aan wie hij het meeste kwijtgescholden heeft. Hij zei tegen hem: U hebt juist geoordeeld. (Lucas 7:43 HSV)

Vervolgens past Jezus zijn gelijkenis toe. Simon heeft nagelaten Jezus’ voeten te laten wassen, Hem te kussen en Hem te zalven. Maar deze vrouw heeft dat allemaal wel gedaan, op een overvloedige manier. Zij heeft dus veel meer liefde voor Jezus laten blijken dan deze farizeeër. En dat is dus het bewijs dat haar veel zonden vergeven zijn!

De logica is helder: hoe meer zonden jou vergeven zijn, hoe dankbaarder je voor die vergeving bent. Je hebt dan immers veel meer reden om dankbaar te zijn!

Maar dan moet je natuurlijk wel beseffen hoe groot je zonden zijn…

En daarom is het zingen van Psalm 51 voor mij altijd zo’n vreugdevolle ervaring. Daarom voel ik me altijd extra getroost na een confronterende preek. Omdat ik dan ook weer weet hoeveel reden ik heb om blij en dankbaar te zijn dat ik van die zonde bevrijd ben. ‘Dan juicht mijn hart’ (Psalm 51:4).

Zo is mijn zonde voor mij dus een bron van grote vreugde.

Maar natuurlijk, als ik het zo zeg, zeg ik het eigenlijk niet goed. Het is natuurlijk niet mijn zonde die mij vreugde geeft. Anders zou ik zomaar kunnen denken: laat ik maar extra veel zondigen, dan heb ik nóg meer reden om blij en dankbaar te zijn.

Paulus zag al dat sommigen wél zo dachten. Daarom schreef hij aan de Romeinen:

Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven? Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen. (Romeinen 6:1-4 HSV)

We moeten dus een nieuw leven leiden. Niet meer zondigen, maar graag en van harte het goede doen.

En tussen een zondig leven en een nieuw leven ligt onze redding. Onze nieuwe geboorte. Dát is de bron van vreugde.

De Heidelbergse Catechismus spreekt over ellende, verlossing en dankbaarheid. Omdat we verlost zijn uit onze ellende, zijn we dankbaar. Vroeger zei men dat deze drie elementen in elke preek terug moeten komen, anders is het geen goede preek.

En ik geloof nog steeds dat dat waar is.

Immers, je kunt alleen dankbaar zijn voor je verlossing, als je ook weet dat je verlost bent. Maar dat kun je alleen weten als je ook weet waarvan je verlost bent. En dus moet je je ellende kennen.

Nu zeggen velen: oké, maar ik ken mijn ellende wel. Ik weet echt wel dat ik verlost ben. Maar daar hoeven we het dan toch niet meer elke zondag over te hebben? Dat is nu toch een gepasseerd station? Waarom kunnen we het nu niet alleen over onze dankbaarheid hebben? Dat is toch veel motiverender?

Het probleem is alleen dat die ellende nog géén gepasseerd station is. We hebben een nieuw leven gekregen. We zijn een nieuwe schepping, een nieuwe mens. Dat bepaalt wie we zijn. Inderdaad. Maar dat is niet het hele verhaal. Zolang we nog op aarde leven, zit er ook nog steeds een rest van zonde in ons. Een oude mens. En die verzet zich tegen onze vernieuwing.

Onze ellende speelt steeds weer op.

En dat wreekt zich als we alleen over dankbaarheid willen horen. Die dankbaarheid komt zomaar in de lucht te hangen. Uit dankbaarheid het goede doen, wordt zomaar een verplichting. Er moet weer van alles. En we kunnen het niet. We willen wel, maar het breekt ons bij de handen af. Steeds weer. Dát demotiveert. Want het confronteert ons met onze ellende, of we nu willen of niet.

Dankbaarheid moet dus steeds weer in het kader gezet worden van ellende en verlossing. Het is als het ware een cirkel die steeds weer rond gemaakt moet worden. Omdat onze pogingen om uit dankbaarheid te leven ons steeds weer met onze ellende confronteren, moeten we steeds opnieuw vanuit die ellende teruggebracht worden naar de bron van onze dankbaarheid: Christus’ dood aan het kruis. Onze verlossing.

En daarom vind ik het zo bevrijdend om steeds opnieuw te horen uit welke diepe ellende ik verlost ben!

Ellende, verlossing en dankbaarheid bij elkaar houden – dát ontspant! Dan moet ik niets meer. Dan is dankbaarheid geen verplichting, geen wet die als een juk op mij drukt. Dan is dankbaarheid de diepste vreugde van mijn hart en wordt Gods wet een richtsnoer dat ik met blijdschap volg.

Alleen, dan moet ik wel zeker zijn van mijn redding!

Zoals ervaren verdriet in het verleden alleen helpt om diepere vreugde te ervaren als je dat verdriet verwerkt hebt en het geen blokkade meer vormt in je leven, zo kan dieper besef van je ellende je alleen tot een diepere dankbaarheid brengen, als je er vast van overtuigd bent dat er uit genade een streep door je zonden is gehaald.

Twijfel je daaraan? Dán kan ik me voorstellen dat zondebesef inderdaad deprimerend en demotiverend werkt.

Ben jij zo iemand die niet graag met zijn zonden geconfronteerd wordt? Misschien moet je je dan eens deze vraag stellen: geloof je eigenlijk wel echt dat je zonden vergeven zijn? Of leeft er diep in je hart een andere overtuiging: dat jouw zonden te groot zijn om door God vergeven te worden? Immers, als je er werkelijk zeker van zou zijn dat je zonden je vergeven zijn, dan kun je er nog wel verdriet om hebben, maar dan hoeven ze je toch niet meer te deprimeren? Je zou juist extra reden hebben tot vreugde!

Of om het anders te formuleren: leef je eigenlijk wel echt uit genade? Of probeer je onbewust toch met goede werken God terug te betalen voor wat Hij jou vergeven heeft? Is dat misschien de reden dat je niet wilt horen dat wat jij aan goeds doet nooit goed genoeg is? Immers, als je volledig op Gods genade zou vertrouwen, zou het besef van je zonden je toch niet hoeven te demotiveren om enthousiast het goede te doen? Het zou je juist extra motiveren, omdat je extra reden hebt om dankbaar te zijn.

Zing en bid daarom met mij mee in de woorden van David in Psalm 51:

Schep in mij, God, een hart dat leeft in ’t licht,
geef mij een vaste geest, die diep van binnen
zonder onzekerheid U blijft beminnen,
verwerp mij niet van voor uw aangezicht.
Ontneem mij niet uw heilge Geest, o God,
laat in uw heil mijn hart zich nu verblijden,
en richt geheel mijn wil op uw gebod,
dan zal ik zondaars op uw wegen leiden.
(Psalm 51:5 Gereformeerd Kerkboek)

Zie je? Ook Psalm 51 bevat ze alle drie: ellende, verlossing én dankbaarheid!

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in