Vroeger kregen wij op de basisschool nog uitgebreid kerkgeschiedenis. En natuurlijk werd daar ook de Afscheiding van 1834 behandeld. Die behandeling begon met een naam die met afkeuring werd genoemd: die van ambtenaar Jacobus Diedericus Janssen. Wat had deze man op zijn geweten? Hij was de drijvende kracht achter het Algemeen Reglement van 1816. Met dit reglement was het allemaal begonnen. Door dit reglement werd de aloude Gereformeerde Kerk een Hervormde Kerk. En dankzij dit reglement werd de ware kerk al gauw een valse kerk. Allemaal de schuld dus van meneer Janssen, zo werd ons als kinderen van een jaar of tien verteld.

Natuurlijk is dit beeld afkomstig van de destijds populaire gereformeerde historicus Hendrik Algra. In zijn boek Het wonder van de negentiende eeuw wijdt hij een heel hoofdstuk aan het reglement van 1816 onder de titel ‘De ambtenaar Janssen’. En menig schoolmeester zal dit boek als leidraad gebruikt hebben bij zijn lessen over geschiedenis van de afgescheiden kerken in de negentiende eeuw.

Maar hoe belangrijk waren Janssen en zijn reglement eigenlijk voor het ontstaan van de Afscheiding?

Gelijkheid

Na de Nederlandse Opstand was de Gereformeerde Kerk de publieke kerk geweest in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dit was bevestigd op de Synode van Dordrecht in 1618/1619. De Gereformeerde Kerk mocht huwelijken sluiten en voor veel belangrijke openbare functies kwam je alleen in aanmerking als je lid was van deze kerk. Andere religieuze groepen werden wel getolereerd, maar hadden geen gelijke rechten.

De Gereformeerde Kerk had de pretentie een landelijke kerk te zijn. Daarom wilde zij ook graag regelmatig een landelijke synode houden. Daar was in Dordrecht ook toe besloten. Maar de overheid dacht er anders over. De Synode van Dordrecht was nodig geweest om het conflict tussen remonstranten en contraremonstranten te beslechten. Maar nieuwe synodes konden gemakkelijk tot nieuwe verdeeldheid leiden. En de overheid had liever orde en rust. Wat hen betreft was zo’n landelijke synode dus eens maar nooit weer.

En zonder de overheid ging het niet. De overheid had in de kerk een stevige vinger in de pap. Veel predikanten werden door de overheid aangesteld en betaald. En kerkelijke besluiten moesten door de overheid goedgekeurd worden. Bijna tweehonderd jaar lang werden er daarom alleen provinciale synodes gehouden. Feitelijk bestond er dus geen landelijke kerk, maar waren er alleen provinciale kerken.

Maar in 1795 veranderde de situatie radicaal. De Nederlandse Republiek hield op te bestaan. Onder het nieuwe bewind van de Bataafse Republiek kwam er vrijheid van godsdienst. Nou ja, vrijheid? Gelijkheid. Remonstranten, doopsgezinden, roomsen en joden kregen dezelfde rechten als de gereformeerden. Officieel kwam er een scheiding van kerk en staat. Maar ondertussen kwam er wel een speciaal ministerie voor de eredienst en golden er nog steeds strikte regels voor wat wel en niet mocht. Voor andere groeperingen waren zulke regels een verruiming, maar voor de gereformeerden betekenden ze een beperking. Kerkelijke goederen – kerktorens bijvoorbeeld – werden geconfisqueerd. Predikanten werden niet meer betaald en kwamen vaak terecht in grote armoede. Bovendien konden er geen nieuwe predikanten worden opgeleid, want aan de universiteiten werden de theologische faculteiten gesloten.

In 1806 stelde Napoleon zijn broer Lodewijk aan als koning over het Koninkrijk Holland. De nieuwe koning perkte de godsdienstvrijheid nog verder in. Het ministerie van eredienst bleef en er werden plannen gemaakt voor een reglement voor de Gereformeerde Kerk dat de koning grote invloed zou geven. De basis voor dat conceptreglement was geschreven door de hoogste ambtenaar van het ministerie: Janssen. Hij was al jaren met dit onderwerp bezig. Tot invoering kwam het niet, doordat in 1810 het nieuwe koninkrijk al weer ophield te bestaan en werd ingelijfd bij Napoleons keizerrijk.

In 1813 werden de Fransen verdreven. Werd nu de oude situatie hersteld? Niet bepaald. Koning Willem I splitste het ministerie van eredienst in 1815 in twee aparte ministeries. Een voor de roomsen en een voor de gereformeerden en de rest. Wel werden de predikantstraktementen weer betaald en werden de theologische faculteiten hersteld. Maar verder bleef alles eigenlijk zoals het was.

Kerkgenootschap

In heel Willems regeringsapparaat bleven grotendeels dezelfde mensen op hun post zitten. Ook Janssen bleef zitten, nu als hoogste ambtenaar op het ministerie voor de hervormde eredienst. Zijn conceptreglement lag nog in een la, kwam weer tevoorschijn en werd verder uitgewerkt. Op Janssens voorstel werd er een commissie benoemd die opnieuw met zijn ideeën aan de slag ging. Janssen fungeerde als spin in het web. Hij verzamelde de adviezen van de commissieleden, zat vaak de commissievergaderingen voor en hij gaf de resultaten door aan de koning. Het schijnt dat hij daarbij de dingen wel eens anders voorstelde dan ze waren. Kritiek op zijn plannen verzweeg hij of zwakte hij af.

Het is dus maar zeer de vraag of de koning wel goed wist wat hij deed, toen hij op 7 januari 1816 het Algemeen Reglement bij Koninklijk Besluit vaststelde. Op 1 april werd het van kracht. Wat hield het in? De Nederduitse Gereformeerde Kerk hield op te bestaan. In plaats daarvan kwam er een Nederlandse Hervormde Kerk. Maar dit was eigenlijk geen kerk. Het was een kerkgenootschap. Een soort vereniging, zoals er zoveel waren. De Hervormde Kerk moest afstand doen van elke pretentie de enige ware kerk te zijn. En als kerk was zij bovendien principieel weinig anders meer dan elke andere vereniging ‘tot nut van het algemeen’.

Dit genootschapskarakter van de kerk had natuurlijk gevolgen voor bestuur en organisatie. Bij genootschappen was het altijd gebruikelijk geweest dat bestuur en inhoud strikt gescheiden werden. Of het nu om cultuur en wetenschap of om armoedebestrijding ging, bestuurders bemoeiden zich niet met de inhoud en de mensen die het echte werk deden hadden geen directe invloed op het bestuur. Zo ging het nu ook in de kerk. Er werd een bestuurlijke organisatie opgetuigd die zich nadrukkelijk niet mocht bemoeien met de inhoud van de geloofsleer.

Bovendien was deze bestuursorganisatie radicaal anders opgezet dan vroeger. Gereformeerde kerken worden bestuurd van onderaf. De kerkenraad heeft het eigenlijke gezag. Classes en synodes zijn niet anders dan vergaderingen waarin de kerken samenkomen. In classes hadden altijd alle predikanten zitting gehad. Allemaal kwamen ze in aanmerking om te worden afgevaardigd naar synodes.

Maar in de nieuwe structuur werd de kerk van bovenaf bestuurd. Er kwam een landelijke synode. De leden daarvan werden door de koning benoemd. Weliswaar op voordracht vanuit provinciale besturen, maar toch. Hetzelfde gold voor de provinciale en classicale besturen. De koning benoemde de leden op basis van een voordracht. De classes omvatten nog wel alle predikanten. Maar bestuurlijke invloed hadden zij niet meer. Ze kwamen nog maar eenmaal per jaar bijeen en het voordragen van kandidaten voor het eigen classicaal bestuur was vrijwel hun enige taak. Besturen namen hun besluiten zonder lastbrief. En alle besluiten moesten worden goedgekeurd door de koning.

Kortom, het gereformeerde presbyteriaanse kerkbestuur werd vervangen door een ongereformeerde hiërarchie. Vroeger waren alle predikanten min of meer gelijk. Nu ontstond er een bestuurlijke elite, waarbij alle invloed kwam te liggen bij een kleine minderheid. Besluiten werden niet meer genomen door alle kerken samen, maar werden van bovenaf opgelegd. De synode vertegenwoordigde niet meer de kerken, maar ging zijn eigen gang. Bovendien bleef de kerk onderworpen aan de overheid. Van vrijheid was geen sprake.

Bezwaren

En werd dit nu allemaal maar zonder slag of stoot in door de kerk geaccepteerd? Voor een groot deel wel. Dat de koning de financiële ondersteuning van de kerk had hersteld, gaf hem blijkbaar nogal wat krediet. In zekere zin werd hij door velen beschouwd als een redder in nood. En het was waar, vonden velen: een moderne, efficiëntere vorm van kerkbestuur was hard nodig en paste ook beter bij de nieuwe staatsvorm van het koninkrijk.

Toch bleven protesten niet helemaal uit. Het probleem was alleen dat het Koninklijk Besluit van 7 januari als een volslagen verrassing kwam. Behalve de commissie die adviezen had gegeven, was vrijwel niemand op de hoogte geweest van de plannen. En de termijn waar binnen via een rekest aan de koning officieel bezwaar gemaakt kon worden, was heel kort. Toch gebeurde het!

Het meest uitvoerig was het rekest van de classis Amsterdam. Natuurlijk klaagde deze classis over de manier waarop het Reglement tot stand gekomen was. Had zoiets niet uit de kerk zelf op moeten komen? Ook de hiërarchie en de verregaande invloed van de overheid waren de classis een doorn in het oog. De synode zou maar eenmaal per jaar vergaderen. Werd de kerk daarmee feitelijk niet bestuurd vanuit het ministerie? Door de heer Janssen dus?

Maar de grootste zorg van de classis Amsterdam betrof de handhaving van de gereformeerde leer. Als de kerken zelf zo weinig invloed meer hadden, hoe kon dan gegarandeerd worden dat deze leer veilig was? Zou dat niet leiden tot partijvorming en scheuring?

Er kwam een korzelige reactie terug vanuit het ministerie. Hoe durfde men de koning tegen te spreken? Hij wilde immers alleen maar in de voetsporen treden van zijn doorluchtige voorvaders, door zorg te dragen voor de godsdienst. Bovendien, de nieuwe synode was helemaal niet geroepen om uitspraken te doen over leergeschillen! Dus daar hoefde men zich echt geen zorgen over te maken.

Was dat echt een geruststelling? Natuurlijk niet. Als de synode geen uitspraken deed over leergeschillen, deed niemand het meer. Dan was er in de praktijk dus volledige leervrijheid. En de zorgen werden in de praktijk alleen maar bevestigd. Bijvoorbeeld toen er een nieuw ondertekenigsformulier werd ingevoerd voor nieuwe predikanten, de zogenaamde proponentsformule.

Quia of quatenus

Op de Synode van Dordrecht was bepaald dat nieuwe predikanten moesten verklaren dat de drie formulieren van eenheid ‘in alles met Gods Woord overeenkomen’. Deze drie formulieren werden expliciet genoemd: de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Deze formulering was ondubbelzinnig. Maar de formule die de nieuwe Synode op 11 juli 1816 vaststelde, was dat niet. Hij kwam uit de pen van de preses, dr. H.H. Donker Curtius. En deze man gaf later toe dat hij de formulering expres vaag gehouden had. Proponenten moesten nu verklaren dat ze instemden met de leer ‘welke overeenkomstig Gods Woord in de aangenomen formulieren van eenheid is vervat’.

Er ontstond natuurlijk veel discussie over. Wat voor consequenties had het dat proponenten nu niet meer moesten instemmen met de formulieren zelf, maar met de leer die zij bevatten? Stonden er ook dingen in die niet tot die leer behoorden? En om welke formulieren ging het precies? Hoorden de Dordtse Leerregels er nu wel of niet bij? En dan het belangrijkste discussiepunt: bevatten de formulieren de leer omdat (quia) ze overeenstemden met Gods Woord, of voorzover (quatenus) ze overeenstemden met Gods Woord?

De tweede uitleg kreeg al snel de overhand, waardoor je je als proponent eigenlijk nergens meer aan bond. Je kon immers zelf uitmaken wat er in de belijdenisgeschriften wel en niet overeenkomstig Gods Woord was. Inderdaad leervrijheid dus.

Maar toch niet helemaal. Want deze vrijheid was natuurlijk bedoeld om ruimte te creëren voor de theologie van de Verlichting. Een rationele theologie die wonderen wegredeneerde en niet meer uit de voeten kon met de klassieke leer van zonde en genade. Er moest geen Jezus gepredikt worden die voor ons betaalt wat wij niet kunnen betalen, maar een die voor ons een voorbeeld is hoe wij zelf een deugdzaam leven kunnen leiden. Uiteindelijk bleek dat voor wie opkwam voor de oude gereformeerde leer, de vrijheid beperkt was.

Dat kon natuurlijk niet door hun leer te veroordelen. Over leergeschillen oordeelden kerkelijke besturen immers niet meer. Maar wie pleitte voor het alleenrecht van de klassieke leer en het herstel van een strikte binding aan de belijdenis, kon wel aangepakt worden als onruststoker en verdeeldheidzaaier. Verdraagzaamheid, rust en vrede was het parool. Wie daar in de ogen van de liberalen niet aan mee werkte, kreeg heel wat te verduren.

Afscheiding

Toen ds. Nicolaas Schotsman in 1819 zijn Eerezuil ter gedachtenis van de voor tweehonderd jaren te Dordrecht gehoudene Nationale Synode publiceerde, bleef het nog bij grote publieke verontwaardiging. Maar toen er in 1827 in Amsterdam anoniem een Adres aan alle mijne Hervormde geloofsgenooten verscheen, kreeg het hoofd van de Amsterdamse politie opdracht om uit te zoeken wie de auteur was. Het bleek de Haagse predikant Dirk Molenaar. Hij werd op het matje geroepen op het ministerie en er werden zelfs justitiële stappen overwogen. Uit angst voor nog meer onrust, liet men het bij een Koninklijk Besluit waarin werd meegedeeld dat de koning Molenaars geschrift afkeurde en dat Molenaar had beloofd dat hij zich voortaan zou onthouden van alles wat de rust in de Hervormde Kerk kon verstoren.

Nog zwaarder kreeg ds. Hendrik de Cock uit Ulrum het te verduren. In 1833 schreef ook hij een boekje: Verdediging van de ware Gereformeerde leer en van de ware Gereformeerden, bestreden en tentoongesteld door twee zoogenaamde Gereformeerde Leeraars, of de schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven en verdedigd. In dit boekje trok hij fel van leer tegen twee collega-predikanten, die hij gevaarlijke dwaalleraars vond. Een van hen, ds. G. Benthem Reddingius, was lid geweest van de commissie die ambtenaar Janssen geadviseerd had over het reglement en was later tot lid van de synode benoemd.

De Cock werd door het classicaal bestuur geschorst. Toen hij in beroep ging bij het provinciaal bestuur, pakte die hem ook nog eens zijn traktement af. De Cock beriep zich op de koning en ging bij hem op audiëntie. Het baatte niet. De koning deed alleen een poging om De Cock ‘van zijn stuk te brengen’, zo ervoer De Cock het. Vervolgens werd hij door het provinciaal bestuur afgezet, omdat hij ondertussen nog meer kritische dingen geschreven had. De Cock ging in beroep bij de synode. Het enige wat dat opleverde, was een half jaar bedenktijd waarbinnen hij tot inkeer kon komen en zijn excuses kon aanbieden.

Waarom werd De Cock nu precies geschorst en afgezet? Voordat de procedures begonnen, was er overleg geweest tussen de preses van de classis en de preses van de synode. Zij vroegen advies aan ambtenaar Janssen. Die vond dat voorkomen moest worden dat de kwestie behandeld werd als een leergeschil. De Cock mocht geen gelegenheid krijgen om zich inhoudelijk te verweren. Het moest puur een ordekwestie blijven: De Cock had zich oncollegiaal gedragen. Hij zaaide oproer en verwarring. Dát was zijn misdaad.

Een van de redenen waarom Janssen vond dat De Cock hard moest worden aangepakt, was dat De Cock blijkbaar in contact stond met Molenaar. Janssen dacht dat De Cock door hem en anderen gebruikt werd om een scheuring te veroorzaken en ging ervan uit dat De Cock wel zou inbinden als hem bij wijze van spreken het mes op keel gezet werd. Hij wist niet dat Molenaar De Cock juist tot voorzichtigheid had gemaand. Nu bereikte Janssen met zijn advies het omgekeerde van wat zijn bedoeling was. Toen De Cock zelfs bij de synode bot ving, zag hij geen andere uitweg meer dan zich met zijn gemeente af te scheiden van de Hervormde Kerk. Blijkbaar was daar geen ruimte meer voor de gereformeerde leer.

Conclusie

De verlichte elite kon met het Algemeen Reglement van 1816 in de hand gereformeerden monddood maken. Maar de classis Amsterdam had gelijk gekregen: dat leidde niet tot eenheid, maar tot scheuring. Het is echter maar zeer de vraag of het zonder het Algemeen Reglement veel anders was afgelopen. Er zijn volgens mij twee dingen die erop wijzen dat het reglement niet van doorslaggevend belang geweest is.

In de eerste plaats hield men zich in de procedures tegen De Cock helemaal niet aan de regels. Eén voorbeeld: hij werd geschorst en afgezet om wat hij geschreven had. Maar hij was aangeklaagd om heel iets anders! Hij had kinderen gedoopt uit andere gemeenten, van ouders die hun eigen predikant niet orthodox genoeg vonden. En dát was reglementair helemaal niet verboden. Het is dus heel goed mogelijk dat men ook zonder Algemeen Reglement wel een stok gevonden had om De Cock te slaan.

In de tweede plaats vond ambtenaar Janssen het blijkbaar nodig om nadrukkelijk te waarschuwen de procedures tegen De Cock te beperken tot een ordekwestie. Dat was de bedoeling geweest van het reglement: bestuur en inhoud moesten gescheiden worden. Maar Janssen erkende met die waarschuwing impliciet dat het reglement het niet pertinent onmogelijk maakte om de kwestie ook inhoudelijk te behandelen. En zonder het reglement had hij het vast ook wel voor elkaar gekregen dat De Cock officieel alleen om zijn optreden en niet om zijn opvattingen veroordeeld werd. Ook al ging het in werkelijkheid natuurlijk wel degelijk om zijn opvattingen.

Uiteindelijk is het volgens mij dus niet zo dat het Algemeen Reglement van 1816 als vanzelf tot de Afscheiding van 1834 heeft geleid. Het Algemeen Reglement was meer een symptoom van de eigenlijke oorzaak: de Gereformeerde Kerk was in de greep gekomen van de verlichte theologie. Er was kerkbreed geen wil meer om de gereformeerde theologie en de gereformeerde kerkstructuur te handhaven. Met of zonder Algemeen Reglement gaapte er een diepe kloof tussen liberalen aan de ene kant en orthodoxen aan de andere kant. Het Algemeen Reglement heeft zeker een bijdrage geleverd aan het verscherpen van die tegenstellingen. Maar een botsing was er vroeg of laat toch wel gekomen.

Reageren