De koraalbewerking over Wie schön leuchtet der Morgenstern (BWV 739) van Johann Sebastian Bach, gespeeld op het orgel van de Grote of Sint-Michaëlskerk in Zwolle (via Hauptwerk).

Zwingt die Saiten in Cythara
Und laßt die süße Musika
Ganz freudenreich erschallen,
Daß ich möge mit Jesulein,
Dem wunderschönen Bräut’gam mein,
In steter Liebe wallen!
Singet, springet,
Jubilieret, triumphieret,
Dankt dem Herren!
Groß ist der König der Ehren!

Lange tijd heeft men er aan getwijfeld of deze koraalbewerking wel van Bach is. Maar sinds men heeft ontdekt dat het handschrift waarin het is overgeleverd van Bach zelf is, is aan die twijfel een eind gekomen.

Deze bewerking is eigenlijk een koraalfantasie in de stijl van de Noord-Duitse barok. Het begint drie-stemmig op één klavier met de melodie in de sopraan. Na drie melodieregels verhuist de melodie naar het pedaal, terwijl de linkerhand van het Oberwerk naar het Rückpositiv gaat. Een trio dus.

Vanaf regel vier spelen beide handen afwisselend op Overwerk en Rückpositief, waardoor er echo-effecten ontstaan. De melodie blijft in het pedaal. Bij de laatste melodieregel wordt er een mooie apotheose gecreëerd. Beide handen spelen op het Oberwerk en van een eenstemmige inzet wordt er opgebouwd naar vijfstemigheid. Het slot bestaat uit een serie snelle gebroken akkoorden in de rechterhand boven korte akkoorden in de linkerhand.

Gezien de echo-effecten heb ik ervoor gekozen om voor beide klavieren een vergelijkbaar plenum te kiezen op het Rugwerk en het Borstwerk (aangevuld met de Octaav 8′ van het Hoofdwerk). Voor de slotapotheose vul ik die laatste combinatie aan met enkele registers van het Bovenpositief.

Dan de tekst. Ik vermoed dat deze fantasie een uitbeelding is van vers 6. In de eerste plaats omdat in het echo-gedeelte motieven voorkomen die wel erg goed passen bij zingen en springen, jubelen en triomferen. En de laatste regel vraagt natuurlijk om een apotheose zoals dit stuk biedt. Vanuit dit uitgangspunt is het niet zo moeilijk om ook in de eerste regels iets te vinden wat bij dit vers past. Neem bijvoorbeeld de opvallende 32e noten die direct na regel 1 en regel 3 de vrijwel constante zestienden-beweging verstoren. Met een beetje fantasie hoor je daar het tokkelen in op de snaren een citer.

Registratie:
Hoofdwerk: Octaav 8′
Rugwerk: Praestant 8′, Roerfluit 8′, Octaav 4′, Superoctaav 2′, Sexquialtera
Bovenpositief: Praestant 8′, Octaav 4′, Quinta 3′
Borstwerk: Fluitgedekt 8′, Praestant 4′, Superoctaav 2′, Sexquialtera
Pedaal: Octaav 8′, Basuin 16′
Hoofdwerk+Borstwerk

Maat 55:
Pedaal: + Superoctaav 4′
+ Hoofdwerk+Bovenpositief

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in