De koraalbewerking over Ein feste Burg ist unser Gott (BWV 720) van Johann Sebastian Bach, gespeeld op het orgel van de Grote of Sint-Michaëlskerk in Zwolle (via Hauptwerk).

Ein feste Burg ist unser Gott,
ein gute Wehr und Waffen.
Er hilft uns frei aus aller Not,
die uns jetzt hat betroffen.
Der alt böse Feind
mit Ernst er’s jetzt meint,
groß Macht und viel List
sein grausam Rüstung ist,
auf Erd ist nicht seinsgleichen.

Dit is Bachs enige koraalbewerking over hét bekende Lutherlied. En het is er een die vragen oproept.

Om te beginnen: is dit wel een werk van Bach? Tegenwoordig gaan velen ervan uit dat niet de grote Bach de componist is, maar zijn verre neef en schoonvader Johann Michael Bach. Anderen vinden deze compositie echter veel te inventief voor deze tweederangs componist en houden het op een werk van de grote Bach zelf.

Maar dan de uitvoering. Dit is een van de weinige orgelcomposities met registratieaanwijzingen. Aan het begin staat aangegeven dat de linkerhand moet worden gespeeld met aan fagot en de rechterhand met een sesquialter. Dat is duidelijk. Maar verderop staan een paar keer aanduidingen voor Oberwerk en Rückpositief. Bovendien staat er boven het werk aangegeven dat het op 3 klavieren gespeeld moet worden. Hoe zit dat? Hoe moeten al deze aanwijzingen gecombineerd worden?

In moderne uitgaven en uitvoeringen wordt er vaak vanuit gegaan dat de linkerhand op het hoofdwerk speelt (met de fagot) en de rechterhand op het borstwerk (met een sesquialter). Tussendoor zouden dan soms beide handen op het rugwerk spelen. Toch vind ik dit een onnodig gecompliceerde en inconsistente oplossing. Want dan zouden de aanwijzingen voor de fagot en het Oberwerk met elkaar corresponderen, maar zouden de aanwijzing voor de sesquialter en het Rückpositief dat niet doen. Terwijl het toch heel normaal is dat een rugwerk een sesquialter bevat. Bovendien ontbreken er dan aanwijzingen voor het wisselen van de rechterhand tussen borstwerk en rugwerk. Die worden in moderne uitgaven wel vaak toegevoegd. Maar in de handschriften zijn ze niet te vinden.

Veel logischer lijkt het mij daarom om de aanwijzingen voor de sesquialter en het Rückpositief ook te laten corresponderen. Dan wordt het gewoon een stuk voor twee klavieren: de fagot op het hoofdwerk en de sesquialter op het rugwerk, waarbij de rechterhand altijd op het rugwerk speelt, maar de linkerhand een aantal keer wisselt tussen hoofdwerk en rugwerk.

Maar het opschrift voor 3 klavieren dan? Nou, er blijken ook handschriften te bestaan met een opschrift voor 2 klavieren. Dus wat mij betreft: gewoon een stuk voor 2 klavieren.

Maar dan de praktijk. Het orgel in Zwolle stelt me voor een klein probleem. Het Rugwerk heeft inderdaad een Sexquialtera. Maar de Fagot 16′ zit ook op het Rugwerk. Dus wat nu? Dan maar de Sexquialtera van het Borstwerk gebruiken? Maar die klinkt veel te zacht om tegen de Fagot op te kunnen. De Fagot in het Rugwerk komt immers vooruit de kerk in, terwijl het Borstwerk daarachter verstopt zit. Een hele andere klankverhouding dus dan bij een fagot op het hoofdwerk en een sesquialter op het rugwerk.

Een andere mogelijkheid is dan om in plaats van de Fagot de Trompet 16′ van het Hoofdwerk te gebruiken. Ik heb dat geprobeerd. En het kan. Maar uiteindelijk vond ik toch dat het typisch snaterende geluid dat de Fagot te bieden heeft, onmisbaar is om dit stuk tot zijn recht te laten komen. Dus heb ik toch maar gekozen voor de Sexquialtera van het Borstwerk. Om de klankverhoudingen in balans te brengen heb ik onder meer de Quinta 3′ van het Bovenpositief toegevoegd. De echte sesquialterklank komt daardoor iets minder duidelijk uit. Maar ik vind het geheel best geslaagd.

Registratie:
Hoofdwerk: Octaav 8′
Rugwerk: Roerfluit 8′, Octaav 4′, Fagot 16′
Bovenpositief: Praestant 8′, Quinta 3′
Borstwerk: Fluitgedekt 8′, Praestant 4′, Sexquialtera
Pedaal: Subbas 16′, Holpijp 8′, Trompet 8′
Hoofdwerk+Bovenpositief, Hoofdwerk+Borstwerk

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in