Op 10 oktober 1936 moest Jan Harm Veldman in militaire dienst.1 ‘Opkomen voor zijn nummer’ heette dat. Sinds de dienstplichtwet van 1922 moesten er elk jaar 19.500 jongemannen van 19 jaar oud in dienst. Velen kregen vrijstelling, omdat ze ongeschikt waren, omdat ze niet gemist konden worden, omdat er al een broer in dienst geweest was of omdat ze een opleiding volgden voor een geestelijk ambt. Van de overgeblevenen werd nog altijd via loting bepaald wie er op moesten komen. Eén maal per jaar werd er een alfabtische, genummerde lijst opgesteld van de nieuwe dienstplichtigen. In de Ridderzaal in Den Haag gingen alle nummers in een trommel en werd er één nummer getrokken. De persoon met dat nummer en de eerste 19.449 onder hem op de lijst moesten opkomen. Kwam men daarbij onderaan de lijst (bij de Z), dan ging men bovenaan verder (bij de A). Werd er dus bijvoorbeeld iemand getrokken wiens naam begon met een J, dan was iedereen wiens naam begon met een H of een I vrij, terwijl je met een K grote kans liep in dienst te moeten.2 In 1936 was de V aan de beurt en was Jan Harm Veldman dus de klos.

Jan Harm (of kortweg Jan) was de enige zoon van Harm Veldman en Geesje Vos, die rond 1920 vanuit Hoogeveen via het Gelderse Oldebroek in de stad Kampen waren terechtgekomen. Harm werkte in de zuivelindustrie, eerst als melkmeter, later als machinist. Vanuit het ‘toch wel rustige en beschermde Kampen met zijn strakke kerkelijke vormen’ kwam Jan nu terecht in een wereld die hij totaal niet kende. Al snel merkte hij ‘dat al wat een streep of ster had mijlenver boven je bleek te staan. Die “meerdere” mocht je commanderen, je uitvloeken, je straf geven, je in de bak gooien, enz. Het verbale vermogen van sommige van deze lieden, met name de grove en godslasterlijke taal, maakte op mij als streng calvinistisch opgevoede jongen een heel vreemde indruk.’ Later ontdekte hij dat veel van die officieren helemaal niet zo geschikt waren voor het commanderen van honderden ondergeschikten. Maar ze hadden hun rang te danken aan hun afkomst uit de hogere kringen, nog een overblijfsel van de oude standenmaatschappij.

Jan werd ingedeeld bij de zware mitrailleurs in Arnhem en werd in de kaderklas geplaatst. Vanwege zijn opleiding vond men hem geschikt voor een positie als onderoffcier. Dat gaf voordelen omdat je niet alle zware diensten hoefde mee te draaien, maar het betekende wel dat je drie maanden langer moest dienen voor je met groot verlof mocht. Jan vond het niet erg. Hij doorliep voorspoedig de opleiding, werd korporaal en later sergeant en zag met lede ogen het einde van zijn diensttijd op zich afkomen. Want hij had nog geen werk en wist dat zijn kansen daarop klein waren. Door de economische crisis was de werkloosheid enorm.

Nu had hij gehoord dat de mogelijkheid bestond om als zogenaamd ‘capitulant’ langer in dienst te blijven. Niet dat je dan veel verdiende. Je kreeg kleding (je uniform), huisvesting (in de kazerne) en drie (later vijf) gulden zakgeld per week. Dat was alles. Maar de salarissen waren in die tijd ook niet hoog en als je maar moest afwachten of je wel een baan kon krijgen, was dit toch helemaal nog niet zo slecht. Er waren zelfs heel wat gegadigden voor, maar Jan kreeg zijn kans en in de herfst van 1937 tekende hij een contract voor zes jaar. Daarna zou hij de mogelijkheid krijgen om nog weer bij te tekenen of om aan de slag te gaan bij een andere rijksinstelling. Het enige bezwaar was dat hij in die zes jaar niet mocht trouwen, maar hij had toch nog geen vaste verkering.

Het was echter niet zomaar iets om in die tijd vrijwillig zes jaar bij te tekenen voor het leger. In zijn herinneringen aan die tijd zegt hij er niets over, maar in 1937 pakten zich in het oosten toch al heel donkere wolken samen. In 1933 was Hilter aan de macht gekomen in Duitsland. In 1936 had hij het Rijnland bezet. Dat was weliswaar gewoon een stuk van Duitsland, maar bij de Vrede van Versailles na de Eerste Wereldoorlog was bepaald dat Duitsland in dat gebied geen militairen meer mocht legeren. Bovendien was Hitler voortvarend begonnen met het opbouwen van een modern leger. Maar inderdaad, de ergste crises in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog vonden pas plaats vanaf 1938 en toen had Jan Veldman zijn handtekening al gezet. Eerst forceerde Hitler de Anschluß van Oostenrijk, daarna annexeerde hij delen van Tsjechoslowakije: Sudetenland in het najaar van 1938, Bohemen en Moravië in het voorjaar van 1939. Op 1 september 1939 viel hij Polen binnen en daarmee begon de Tweede Wereldoorlog.

Ondertussen was Jan weer in Kampen terechtgekomen als instructeur bij de School voor Reserveofficieren (SROI). Hij werd gelegerd in de Van Heutzkazerne, ‘lekker dicht bij huis en bij het meisje’. Blijkbaar had hij inmiddels toch verkering gekregen. In de zomer van 1939 werd hij overgeplaatst naar Laren in het Gooi voor een bijscholing. Die had hij al veel eerder moeten krijgen, maar door een administratieve fout was het daar nog nooit van gekomen. De commandant van het veldleger luitenant-generaal J.J.G. baron van Voorst tot Voorst had die fout persoonlijk ontdekt toen hij tijdens een bezoek aan de kazerne in Kampen Jan ondervroeg over zijn kennis van een nieuw soort wapen en hij van niets bleek te weten. Binnen een week was zijn overplaatsing een feit.

Mobilisatie

Jan zat echter nog maar net in Laren toen eind augustus 1939 de mobilisatie werd afgekondigd. Dienstplichtigen waren na hun dienstijd van 6 tot 12 maanden nooit ontslagen uit de dienst, maar slechts met groot verlof gestuurd. Afhankelijk van je rang bleef je dienstplichtig tot je veertigste (gewone soldaten), vijfenveertigste (onderofficieren) of vijftigste (officieren).3 In geval van oorlogsdreiging kon de regering je weer oproepen en moest je opnieuw in militaire dienst. Dat gebeurde in 1939. Het was een hele operatie. Verspreid over het land lagen de mobilisatiecentra. Daar moesten de dienstplichten zich verzamelen en vandaar moesten ze dan naar de verschillende geplande verdedigingslinies gebracht worden. Omdat natuurlijk nog maar weinig mensen een auto hadden, moest het allemaal per trein gebeuren. Honderden treinen waren er voor nodig en er zou nauwelijks materieel overblijven voor het gewone treinvervoer; het zou een chaos worden. Daarom moest het gebeuren in twee fases: de voormobilisatie en de algemene mobilisatie. Bij voormobilisatie moest een klein deel van de dienstplichtingen opkomen die relatief snel de meest strategische posities moesten innemen. Bij de algemene mobilisatie daarna moest dan de rest opkomen. Alles bij elkaar zou het hele proces enkele dagen duren. Je moest er niet aan denken dat ondertussen de vijand het land al zou binnenvallen.4

Jan viel natuurlijk niet onder de mobilisatie. Maar hij kreeg er wel heel direct mee te maken. Hij werd naar het mobilisatiecentrum in Deventer gestuurd om daar als kwartiermaker te fungeren. ‘Het was een beetje chaotisch, niemand had ooit een mobilisatie meegemaakt. Er moest voedsel komen, keukenwagens, die uit depots kwamen, moesten een plek hebben. Bakkers, slagers, kruideniers moesten overtuigd worden dat de orders die we uitschreven rechtsgeldig waren en dat ze hierop hun geld konden halen op het gemeentehuis.’ Ook moesten er scholen, rijdend materieel en paarden gevorderd worden. ‘Dat vorderen van paarden vond ik niet zo leuk. Enkele burgers die er meer verstand van hadden dan ik, waren gelukkig bereidwillig genoeg om te helpen.’

Via een paar omzwervingen kwam Jan uiteindelijk in Wageningen terecht. Daar werden de onderofficieren ingekwartierd bij burgers, de soldaten in gebouwen van de Landbouwschool. ‘Ik herinner me die mobilisatietijd als een vreemde, verwarrende tijd. Er kwamen verontrustende berichten binnen, dan weer alarmfase dit, dan weer dat. Op het laatst werd je daar wat apatisch voor en ging je geloven dat de Duitsers Nederland niet binnen zouden vallen.’ De militairen die in Wageningen gelegerd werden, moesten in geval van oorlog de zogenaamde Grebbelinie bemannen. Deze verdedigingslinie liep vanaf het IJsselmeer tot aan de Grebbeberg aan de Rijn bij Rhenen en was bedoeld om de Duitsers uit de Vesting Holland te houden. Voor de Grebbelinie lag de IJssellinie. Die moest een eventuele Duitse opmars vertragen. Achter de Grebbelinie lag nog de aloude Hollandse Waterlinie. Die bestond uit een uitgebreid stelsel van forten, bunkers en onder water te zetten gebieden, maar werd hooguit gezien als een laatste redmiddel. Bij de Grebbelinie zou het moeten gebeuren. Daar moest de Duitse aanval tot staan gebracht worden. Maar de Grebbelinie moest nog helemaal aangelegd worden. Door de militairen zelf.

Ook Jan moest daaraan meehelpen. Er moesten loopgraven worden gegraven en prikkeldraadversperringen worden aangelegd. Elders langs de Grebbelinie werden ook stukken onder water gezet, maar door het hoger gelegen terrein kon dat bij de Grebbeberg niet. Wel moest in de winter het riviertje de Grebbe vrij van ijs worden gehouden. Daar hielpen ook burgers bij en Jan moest als sergeant toezicht houden. ‘Meestal liepen wij maar wat rond, maar om de kou te verdrijven pakte je ook wel eens een bijl en deed je even mee. Dat bekwam mij slecht. Ik ging op een stuk staan, dat de vorige dag was los gekapt en daarna ’s nachts weer bevroren. Een flinke klap en ik sloeg mijzelf het water in. Het water uit en toen rennen naar de dichtstbijzijnde boerderij. Tijdens het lopen voelde ik al, dat ik ging bevriezen. Het lopen werd door die bevroren kleding steeds moeilijker. De boerin was een kordate vrouw. “Uit met die kleren.” Zo naakt als ik was wreef ze me droog met droge handdoeken, rolde me in een wollen deken en stopte me in bed. Het duurde een hele tijd voor ik me weer een beetje behaaglijk begon te voelen.’

Het gevolg van al dat graaf- en ander werk was wel dat er nauwelijks geoefend werd.5 Bovendien was het Nederlandse leger als gevolg van drastische bezuinigingen in de jaren twintig en dertig allerbelabberst uitgerust. Toen de Nederlandse regering daar wat aan wilde doen, was het eigenlijk al te laat.

Oorlog

Op 10 april 1940 viel Hitler Denemarken en Noorwegen aan. Exact een maand later, op vrijdag 10 mei, waren Nederland, België en Frankrijk aan de beurt. De avond er voor kwam het bevel dat de luchtdoelmitrailleurs bemand moesten worden ‘want die nacht zou het gebeuren.’ Jan was commandant van een sectie zware mitrailleurs, bestaand uit een kleine veertig man, en hij kreeg het bevel met zijn sectie ook op vijandelijke vliegtuigen te vuren. ‘’s Morgens waren er inderdaad Stuka’s.’ Dat waren Duitse duikbommenwerpers. ‘Het ergste van die dingen vond ik de onvoorstelbare herrie die ze maakten als ze op je afdoken. Er werd me later verteld dat ze een soort sirene aan boord hadden, ik ben er nooit goed achter gekomen of dit waar was.6 De eerste keer dat ze op ons afdoken en schoten waren we allemaal onnozele kinderen en bekeken het als een soort toeschouwers die een beetje dichtbij het vuur waren gekomen. Toen de diarree aan kogels toch wel angstig dichtbij kwam werden we bang. Bij de volgende die op ons afdook lag iedereen verstijfd van angst op de grond en probeerde in de grond te kruipen.’

Het 2e bataljon van het 19e regiment infanterie (II-19 R.I.) waartoe de mitraileurscompagnie (M.C.-II-19 R.I) van Jan behoorde, was aangewezen als reservebataljon. Daarom bleef dit bataljon nog tot de middag van zondag 12 mei in Rhenen, dat onder zwaar Duits artillerievuur lag. Eerst in de Wilhelminaschool, maar later verdeeld over een aantal woonhuizen, om het risico te spreiden. De bewoners waren toch geëvacueerd. Een deel van het bataljon deed in de nacht van 11 op 12 mei nog wel mee aan een poging tot een tegenaanval, maar de mitrailleurcompagnie bleef hier buiten. Pas op zondagmiddag moesten Jan en zijn mannen hun stellingen betrekkingen in de achterhoede van de Grebbelinie tussen Rhenen en de Grebbeberg, de zogenaamde ruglijn. Eén sectie zware mitraileurs moest echter naar de frontlinies om het 8e regiment te versterken, dat het zwaar te verduren had. Het werd de sectie van luitenant J.M. Folmer, niet die van Jan. ‘Hij stond er op, dat hij zou gaan, hoewel ik naar voren bracht dat hij een vrouw en een kind had. Hij was officier en ik onderofficier. Hij kreeg zijn zin. Had mij anders zijn lot getroffen?’ Folmer sneuvelde.

Jan en zijn mannen stelden hun mitrailleurs op op een hoog punt in de buurt van de Achterbergsestraatweg en de spoorlijn, vlakbij een begraafplaats, en richtten uitkijkposten in, maar een schot werd er die dag nog niet gelost. Wel gaf Jan opdracht om een paar gammele oude schuren in het voorterrein op te ruimen. Met een paar handgranaten werden ze in brand gestoken. Onbedoeld sneuvelde daarbij een achtergebleven geit, ‘ons eerste oorlogsslachtoffer’. Ondertussen ging het artillerievuur dag en nacht door. De Nederlandse artillerie vlak achter de stellingen van Jans sectie bestookte de Duitsers bij Wageningen. De Duitse artillerie schoot terug en een te kort salvo zou zo op de stellingen van Jans sectie terecht kunnen komen. Maar dat gebeurde niet. ‘Hoe raar het ook klinkt, je gaat er aan wennen. Als het wat rustiger werd, werd je ongedurig, voelde je je meer bedreigd. We gingen dan meer opletten, bang dat we zouden worden overvallen.’ Ook dat gebeurde niet. Wel stuurden de Duitsers sluipschutters op hen af. Naast Jan kreeg een van zijn mannen zo te zien een ‘kopschot’. ‘Het bloed kwam onder zijn helm uit en hij viel op de grond. We lieten hem voor dood liggen en speurden het terrein af om te kijken waar het schot vandaan was gekomen. Wat later gaf hij ineens tekenen van leven. We lichten de helm van zijn hoofd en tot onze verbazing had hij niet meer dan een erg bloedende huidbeschadiging. Vermoedelijk had een sluipschutter met een pistool-mitrailleur van te grote afstand op hem geschoten. De kogel heeft dan niet voldoende kracht meer, dringt nog wel door de helm heen maar is verder uitgewerkt.’

Op 13 mei meenden ze op 1 à 2 kilometer afstand in het voorterrein op de helling tegenover hen, aan de overkant van de weg en het spoor, geregeld Duitse troepen te zien.7 Dan vuurden ze. Ondertussen verloren ze het contact met de andere secties en met de commandant. Op de avond van 13 mei kwam er een ordonnans de stelling binnen. ‘Hij vroeg zich verbaasd af waarom wij daar nog zaten.’ Er was al lang opdracht gegeven om terug te trekken, vertelde hij. Her en der waren de stellingen door de Duitsers doorbroken en als ze bleven, konden ze door de vijand omsingeld worden. Toen bleek dat de andere secties al weg waren en besloot Jan om met zijn sectie ook terug te trekken, ‘opgelucht dat het misschien voor ons was afgelopen’. Ze laadden hun stukken op vier karren, begroeven zo goed mogelijk hun munitie en trokken naar het westen. In het dorpje Elst vonden ze de rest van de compagnie terug. Ze trokken verder naar Cothen en kregen toen bevel om naar Fort Honswijk te gaan. Rond middernacht gingen ze met het hele bataljon op weg, maar verdwaalden onderweg door dichte mist. Pas in de ochtend kwamen ze bij het fort aan. ‘We hadden nog maar weinig wapens bij ons. Ik denk dat de meesten hun wapens gewoon ergens hadden laten liggen, dan hoefden ze die ook niet meer mee te sjouwen. De vermoeidheid maakt je geest steeds doffer. We hadden geen van allen slaap gehad de laatste dagen. In het fort werd eten uitgedeeld, daarna zocht iedereen een zacht plekje ergens in het gras om wat te slapen.’ De mitrailleurs werden in stelling gebracht. Het fort was overvol met militairen en er kwamen voortdurend Duitse vliegtuigen over. Een bombardement op het fort zou catastrofale gevolgen hebben, maar er gebeurde niets. Wel dreigden de Duitsers in de loop van de middag met een artilleriebeschieting als het fort zich niet voor 16.00 uur zou overgeven, maar zover kwam het niet meer. In de namiddag kwam het bericht dat Nederland had gecapituleerd. ‘Op een gegeven moment kwam er een Duitser binnen die opdracht gaf dat we ons moesten verzamelen en afmarcheren naar Wijk bij Duurstede. Alle wapens moesten worden ingeleverd.’

Krijgsgevangen

Lopend ging het naar Arnhem, ‘een hele tippel en we waren al zo verschrikkelijk moe’. De colonne krijgsgevangenen kwam langs Rhenen, over de Grebbeberg. ‘Er hing een verschrikkelijke stank, een weeë zoete lucht. De lijken lagen in rijen langs de weg, ze waren nog niet afgevoerd, maar al wel verzameld. Ze lagen als bundels vuilnis, bedekt met een laag stof, gelukkig met de gezichten naar beneden. Je voelde dat er in de hele colonne een sfeer hing van afgrijzen en woede dat dit allemaal gebeurd was. We sjokten toch maar verder, onbewust aanvoelend dat we op dat moment volkomen machteloos waren.’ In de gebieden die niet geëvacueerd waren, trok de colonne veel bekijks van burgers. Onderweg wist Jan aan iemand die langs de kant stond een boodschap mee te geven voor An Schipper, zijn meisje, om haar te laten weten dat hij leefde, maar wel krijgsgevangen was.

Vanuit Arnhem werden de krijgsgevangenen in veewagons naar Duitsland vervoert, eerst naar Meppen net over de grens bij Coevorden en vandaar verder naar het oosten. ‘Geen mens kon of wilde je vertellen waar je heenging. Die veewagens waren afschuwelijk. Je moest meestal staan, als je ’t een beetje regelde kon je om beurten zitten. Dat vond ik nog erger. Ga maar eens in een benauwde ruimte tussen staande mensen zitten. Om de beurt mocht je tegen één van de zijkanten staan. Dat was wat comfortabeler. Die reis duurde eindeloos lang. Achteraf schat ik het op 24 uur ongeveer. We moesten vaak lang op stations wachten, alle andere treinen gingen meestal voor.’ Uiteindelijk kwamen ze aan in Lückenwalde, een krijgsgevangenenkamp ten zuiden van Berlijn, in een gebied met bos en heide. Behalve Nederlanders zaten daar ook Fransen, Belgen en Polen.

Jan kwam met honderden anderen terecht in een grote legertent. Hij werd groepscommandant over 20 man. ‘Je diende te zorgen dat je mensen op tijd op het appel waren en je zorgde voor de verdeling van het eten. Het eten was slecht en veel te weinig. Een halve liter lauw koolwater met hier en daar een sliertje kool en om de dag een stuk brood van ongeveer 4 cm dikte. Verder niets. Als je bij de kraan kon komen kon je water drinken.’ Maar er waren veel te weinig kranen en je moest er lang voor in de rij staan. Wassen en scheren werd daardoor ook heel lastig. En in een tijd dat vrijwel elke man rookte, was het gemis van sigaretten een groot probleem. ‘Ik herinner me, dat ik op een gegeven moment in de borstzak van mijn tuniek nog een sigaret vond. Met ons vijven hebben we de kostbare sigaret heel zuinigjes opgerookt. Om beurten een trek, ieder keek met argusogen of er niet te hard aan werd getrokken. De rook zachtjes uitblazen en dan al happend proberen de rook terug te halen.’ En ander probleem was dat het in die tijd zulk warm weer was. Overdag werd het vaak meer dan 30 graden. ‘Na veel gezeur vond de kampleiding het goed dat de prikkeldraadomheining werd verzet, zodat we overdag onder de bomen in het nabijgelegen bos konden verblijven. Een hele verbetering omdat we nu wat schaduw hadden.’ ’s Nachts was het juist heel koud. ‘We lagen op een heel dun laagje stro, practisch op de grond. Officieel mocht je ’s nachts niet uit je tent komen, maar om de kou te verdrijven ging ik vaak om de tent wandelen. Overdag haalde ik de schade wel weer in.’

Begin juni besloot Hitler opeens dat alle Nederlandse krijgsgevangenen weer naar huis mochten. Ze werden opnieuw in veewagons geladen en reisden naar het westen. Op 9 juni passeerden de treinen met krijgsgevangen de Nederlandse grens. ‘We kwamen aan in Twente en onze groep werd gelost in Almelo.’ Jan werd opgevangen door de fourier van de mitrailleurscompagnie, die in Almelo woonde. ‘Hij was uiteraard de krijgsgevangenschap ontsprongen, want fouriers zitten nu eenmaal niet in de voorste lijn. Ik werd door hem meegenomen naar zijn ouderlijk huis. Ik herinner me nog de vraag van zijn moeder. Wat wil je eerst, je wassen en scheren of eerst eten? Ik ging heerlijk in het bad en kon me weer eens lekker scheren. Het was een verstandige vrouw, ze had mager eten voor me klaar gemaakt, anders zou ik vast hebben overgegeven, omdat mijn maag in die vier weken geen vet voedsel meer gewend was. De kappers knipten alle krijgsgevangenen gratis. Bij sommigen hadden ze er een hele klus aan. Toch een mooi gebaar.’ De volgende dag ging Jan weer naar huis in Kampen waar hij ‘heerlijke zomermaanden’ doorbracht.

Noten

1 Dit hoofdstuk is voornamelijk gebaseerd op ‘De Slag om de Grebbeberg en de Betuwestelling in mei 1940’. Daarbij zijn ook de herinneringen van Jan Harm Veldman, ‘Het verhaal van de sergeant-capitulant Jan Harm Veldman, sectiecommandant 4e sectie M.C.-II-19 R.I.’. Hij heeft deze herinneringen pas vijftig jaar later verteld. Ik heb zijn verhaal zorgvuldig vergeleken met andere gegevens; daarom wijkt de weergave in dit hoofdstuk soms nogal af van het verhaal van Jan Harm Veldman zelf. Veel van zijn herinneringen bleken namelijk niet helemaal te kloppen.
2 De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1, Voorspel (Amsterdam 1969), 58-59.
3 De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1, 59.
4 De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1, 530.
5 De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 2, Neutraal (Amsterdam 1969), 349.
6 Het was inderdaad waar. Die sirenes waren speciaal bedoeld om de manschappen op de grond in paniek te brengen.
7 Te oordelen naar andere gegevens waren het vrijwel zeker terugtrekkende Nederlandse troepen.

Reageren