De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was een calvinistische staat. Dat weet iedereen en wordt door niemand betwijfeld. Maar hóe calvinistisch was de Republiek? Daarover verschillen de meningen. Langzaam maar zeker is het besef doorgedrongen dat lang niet alle Nederlanders in de zeventiende eeuw calvinisten waren. Integendeel, de Gereformeerde Kerk heeft altijd slechts een vrij beperkte omvang gehad, zeker vergeleken met de dominante positie die ze in de maatschappij innam.

Dat de Gereformeerde Kerk ondanks haar relatief geringe ledental toch zo’n belangrijke plaats had, kwam doordat zij de rol vervulde van publieke kerk. Zij was de enige officieel door de overheid erkende kerk. Zij stond ter beschikking aan het hele volk. Zij doopte en trouwde niet alleen de eigen leden, maar ook ieder ander die daarom vroeg. Zo wilde de overheid het. Een staat kon immers niet zonder publieke kerk. Voor de Opstand had de Rooms-katholieke kerk die taak gehad, nu was het de Gereformeerde die daarvoor als enige in aanmerking kwam.

De enige die daarvoor in aanmerking kwam? Er waren toch nog andere groepen protestanten in de Nederlanden? En de calvinisten vormden tijdens de Opstand immers slechts een klein groepje, hooguit tien procent van de bevolking? Jazeker, maar anders dan de doopsgezinden of de lutheranen hadden de calvinisten een zeer belangrijke rol vervuld in de Opstand. Zij waren het geweest die de harde kern hadden gevormd, die altijd had doorgezet en van geen opgeven had willen weten.[1] Als vanzelf had zo de Gereformeerde Kerk de positie verworven van publieke kerk. Zij immers steunde de overheid. Dus steunde de overheid haar.

In de loop der jaren slaagden de calvinisten erin hun invloed uit te breiden. De Gereformeerde Kerk groeide en haar invloed op het publieke leven nam toe. Hoe dat kwam? Logisch gevolg van de overheidssteun, vonden de historici Geyl en Rogier. Geen redelijk denkend mens zou zich volgens hen ooit tot het calvinisme bekeren. Slechts politieke, sociale en economische pressie konden hiertoe leiden.[2] Hun ‘protestantiseringsthese’ is echter krachtig weersproken. Volgens Enno van Gelder bestond er geen enkele dwang van bovenaf. De regenten waren volgens hem integendeel juist felle anti-calvinistische libertijnen.[3] Maar ook dit inzicht is aan kritiek onderhevig. Volgens Van Deursen is er nooit sprake geweest van een scherpe tegenstelling tussen magistraten en kerkenraden: in beide zaten vaak voor een groot deel dezelfde mensen. Al betekende dat dan lang niet altijd een eendrachtige samenwerking tussen die twee zoals Geyl en Rogier veronderstelden.[4]

Kerkenraad en magistraat hadden elk een aparte taak. De eerste bestuurde de kerk, de laatste de stad. Dat is logisch en vanzelfsprekend, maar het betekende wel dat zij ook elk een ander gezichtspunt hadden van waaruit zij bepaalde zaken bekeken. Wat goed was voor de kerk was niet direct ook goed voor de stad of de Republiek. Kerk en staat vielen immers niet samen. Dat kon ook niet zolang de kerk zo klein was en er nog zoveel landgenoten geen lid waren. Dat kon óók niet zo lang er nog plaats was voor doopsgezinden, luthersen en rooms-katholieken. Weliswaar verboden groepen, maar in de praktijk toch veelal getolereerd.

Graag hadden de regenten gezien dat iedereen gereformeerd werd. Godsdienstvrijheid was geen populair beginsel. Religieuze diversiteit ondermijnde de eenheid en dus de kracht van de staat.[5] Het streven naar religieuze uniformiteit was dan ook een normaal element in een zeventiende-eeuws staatsvormingsproces.[6] In dit licht is het niet verwonderlijk dat vele Hollandse regenten van mening waren dat de Gereformeerde Kerk een volkskerk moest zijn, waarin iedereen of in elk geval zo veel mogelijk mensen zich thuis zouden moeten kunnen voelen. Dat was ook een voorwaarde om effectief andere groepen te kunnen bestrijden. Er moest een aantrekkelijk alternatief geboden worden.

Om hun doel te bereiken streefden de regenten er naar om de publieke kerk aan de staat ondergeschikt te maken. Ook dat was een normaal zeventiende-eeuws verschijnsel. Scheiding tussen kerk en staat is pas iets van na het ancien régime.[7] Het was heel gewoon wanneer magistraten zeggenschap hadden in het beroepen van predikanten en het benoemen van kerkenraadsleden. Dat werd gezien als inherent aan de positie van publieke kerk. Daarbij wilden de regenten invloed uitoefenen op het beleid van de kerk. Om te komen tot een brede, voor iedereen aanvaardbare volkskerk, achtten zij het nodig dat er geen leertucht uitgeoefend werd. Wanneer de gereformeerde belijdenis strak gehandhaafd zou blijven, hoe zou de kerk dan andersdenkenden aan kunnen trekken? Gewetensdwang wilde men voor dat doel niet aanwenden. Daarom ontwierp men in Holland een kerkorde die de ondergeschiktheid van de kerk aan de overheid moest waarborgen. Maar de kerk was niet van zins haar onafhankelijkheid zo maar op te geven. Gedurende het laatste kwart van de zestiende eeuw vond er een voortdurend getouwtrek plaats tussen de Staten van Holland en de Hollandse synode over wederzijdse kerkordeontwerpen. Men werd het niet eens.

Nee, want de Gereformeerde Kerk wilde geen brede volkskerk zijn. Natuurlijk zag men de voordelen van een positie als publieke kerk. Door de overheid bevoordeeld boven anderen kon zij ongestoord haar overtuiging uitdragen onder de bevolking. En dat deed ze graag want groei van haar ledental zag zij als een belangrijk doel. Maar niet om de groei op zich. Het ging er niet slechts om een zo grote mogelijke kerk te worden. Nee, het evangelie moest verbreid worden en nieuwe leden moesten dus uit volle overtuiging lid worden. Zij moesten de gereformeerde leer van harte aanvaarden en daaruit leven. Dat betekende dat de tucht gehandhaafd moest worden.

Deze strikte handhaving van de tucht lijkt misschien een ernstige belemmering voor gemeentegroei. Toch groeide de Gereformeerde Kerk. Haar positie als publieke kerk was daarbij inderdaad een belangrijke factor. Doordat zij de plaats had in genomen van de Rooms-katholieke kerk was zij voor velen het eerste alternatief. Op die manier ontstond er rond de gereformeerde gemeente al snel een groep van zogenaamde liefhebbers. Zij gingen elke zondag naar de gereformeerde kerkdienst die immers in hetzelfde kerkgebouw gehouden werd als waar ze vroeger de roomse mis hadden bijgewoond. Zo hoorden ze elke zondag de gereformeerde leer uiteengezet in een degelijke gereformeerde preek. En zo zagen ze regelmatig de belijdende lidmaten samen het avondmaal vieren. Was het een wonder dat velen op den duur de wens te kennen gaven om ook lid te mogen worden en ook tot het avondmaal te worden toegelaten?[8]

Het was deze als gevolg van haar positie als publieke kerk ontstane groep van liefhebbers die de Gereformeerde Kerk een groter groeipotentieel gaf dan de doopsgezinden en de rooms-katholieken. Ook die probeerden hun deel te krijgen van de grote middengroep van confessioneel nog onbeslisten. En vooral de Rooms-katholieke kerk wist inderdaad een behoorlijk deel voor zich te winnen, met een beroep op haar vermeende authenticiteit. Maar de Gereformeerde Kerk groeide sneller.[9] Bestond daarbij het gevaar dat veel aspirant-leden slechts lid wilden worden zonder werkelijk met overtuiging de gereformeerde leer aan te hangen? Over het algemeen namen liefhebbers reeds volop deel aan het kerkelijk leven. Het enige wat ze met het lidmaatschap leken te winnen was de toegang tot het avondmaal. En daarvoor moest een prijs betaald worden. De kerkenraden waren niet erg toeschietelijk om nieuwe leden in te schrijven. Eerst werd een onderzoek naar leer en leven noodzakelijk geacht, eventueel na een periode van persoonlijk onderwijs. Bovendien werd onderwerping aan de kerkelijke tucht geëist.[10] Op die manier wilde men de zuiverheid van de avondmaalsgemeenschap waarborgen.

Het heilig avondmaal immers was het brandpunt van het kerkelijk leven. Zonder avondmaalsviering bestond er geen kerk. En zonder tucht was er geen avondmaalsviering mogelijk. Vandaar het verzet tegen de omvorming van de kerk tot een volkskerk waarin de tucht moest worden afgeschaft. Dat zou het diepste wezen van de kerk aantasten. Wie dat niet begreep, was geen echt calvinist.[11]

Deze tegenstelling tussen hen die een volkskerk wilden en hen die de tucht wilden handhaven, speelde ook in het eerste kwart van de zeventiende eeuw een belangrijke rol, uitmondend in de bestandstwisten. Het was geen simpele tegenstelling tussen overheid en kerk of tussen regenten en kerkenraadsleden. Zo als gezegd bestond er een grote personele overlapping tussen die twee. Er waren dan ook genoeg regenten die de opvatting van de kerk steunden, en evenzeer genoeg ouderlingen die met het streven naar een brede volkskerk instemden. Het ging er maar om of men het geloof en de kerk liet prevaleren boven het belang van de staat, dan wel of men aan de gereformeerde belijdenis niet zo zeer hechtte dan dat men het mogelijk achtte die op te offeren voor de eenheid van de staat. Was men regent en ouderling tegelijk, dan was het de vraag of men in de eerste plaats regent was in de kerkenraad, dan wel ouderling in de magistraat. Voor een echt calvinist moest het laatste gelden.

Het was het theologisch conflict tussen de Leidse hoogleraren Arminius en Gomarus over de uitverkiezing dat deze tegenstelling op de spits dreef. Arminius leerde dat God mensen uitkoos om behouden te worden van wie hij wist dat ze zouden gaan geloven. Daartegenover verdedigde Gomarus de calvinistische leer volgens welke God mensen uitkoos om behouden te worden waarna Hij hun het geloof gaf. Volgens beiden was het geloof de grond voor het behoud, maar terwijl volgens het calvinisme dat geloof de vrucht was van de uitverkiezing, was volgens het arminianisme het geloof de vrije keuze van de mens en de uitverkiezing de vrucht van het geloof.[12] Op een dergelijke aantasting van de gereformeerde belijdenis was voor de kerk maar één antwoord mogelijk: de tucht.

Natuurlijk konden zij die de afschaffing van de leertucht wilden dit niet zomaar laten passeren. De aanhangers van Arminius, spoedig remonstranten genoemd naar de uiteenzetting van hun leer, de Remonstrantie, werden krachtig gesteund door de regentenpartij van Oldenbarnevelt. De uitoefening van de tucht werd onmogelijk gemaakt. Remonstrantse predikanten konden hun ambt ongestoord blijven uitoefenen en blijven preken. Dit dwong de calvinisten, nu contraremonstranten genoemd, tot reactie. Daar waar een remonstrant voorging, gingen zij niet meer naar de kerk. Ze zochten een rechtzinnige predikant op in de buurt. Daar hoorden ze de zuivere gereformeerde leer. Maar dat was niet genoeg. Het avondmaal kon niet meer gevierd worden, omdat de tucht niet meer gehandhaafd werd. Daarmee was er een einde gekomen aan het wezen van het kerkzijn. Dat moest worden rechtgezet en dat kon alleen door de kerkelijke gemeenschap met de remonstranten te verbreken en zonder hen avondmaal te vieren mét handhaving van de tucht. Een kerkscheuring was onvermijdelijk.

Doordat de contraremonstranten verreweg in de meerderheid waren in de Gereformeerde Kerk,[13] had dit grote consequenties. Zouden alleen de remonstranten overblijven, dan zou de publieke kerk ernstig verzwakt zijn. Daarmee zou de politiek van Oldenbarnevelt en de zijnen praktisch mislukt zijn. Van een brede volkskerk was dan immers geen sprake meer. Hadden zij dat niet van tevoren zien aankomen? Blijkbaar niet. Zij waren geen echte calvinisten en konden niet begrijpen hoe zwaar de zuiverheid van de kerk moest wegen voor iemand die de gereformeerde leer met hart en ziel was toegedaan.

Inderdaad: zij die streefden naar een volkskerk waren geen echte calvinisten, evenmin als de remonstranten en dat benadrukten zij zelf.[14] Dat maakte een samengaan van die beide groepen een bijna vanzelfsprekendheid, evenals het samengaan van het verzet tegen de vorming van een volkskerk en het verzet tegen het arminianisme vanzelf sprak, omdat die allebei logisch voortvloeiden uit de calvinistische leer. Deze dubbele tegenstelling verdeelde ook de regenten.[15] Behalve zij die de politiek van Oldenbarnevelt steunden, waren er ook die tot de calvinisten behoorden. Daarbij kwam nog een derde tegenstelling, die grotendeels langs dezelfde scheidslijnen liep. Oldenbarnevelt was voorstander van verlenging van het bestand met Spanje, zij die voortzetting van de strijd wilden, zochten aansluiting bij de calvinisten.[16]

Deze twee factoren, het groeiende verzet van de contraremonstranten en de verdeeldheid onder de regenten, deden de politiek van Oldenbarnevelt mislukken. De definitieve beslissing viel toen Maurits, gesteund door de onrust onder de bevolking, openlijk de kant van de contraremonstranten koos en het bewind van Oldenbarnevelt ten val bracht.[17] Daarmee kwam de weg vrij voor een nationale synode, in 1618-1619 gehouden in Dordrecht. Daar werd de leer van Arminius officieel veroordeeld. Vervolgens verlieten de remonstranten de Gereformeerde Kerk. De tucht kon weer uitgeoefend worden. De publieke kerk bleef calvinistisch. De regenten die nu aan het bewind kwamen, steunden het calviniseringsproces en de tolerantie tegenover andersdenkenden werd sterk minder. Maar al na enkele jaren verzwakte het calvinistische bewind en begon de remonstrantse regentenpartij invloed te herwinnen. De tolerante houding van de overheid kwam terug en nu des te sterker omdat de vorming van een volkskerk definitief mislukt was.[18]

De plaats van het calvinisme was bepaald. De Gereformeerde Kerk was en bleef een calvinistische kerk, gesteund door de overheid. Zij vervulde de rol van publieke kerk, maar zou er niet in slagen de meerderheid van de bevolking voor zich te winnen. De Republiek was een multi-confessionele samenleving, waar het calvinisme slechts de eerste plaats innam en het officiële gezicht bepaalde. Meer niet.

Noten

1. Alastair Duke, ‘The ambivalent face of calvinism in the Netherlands, 1561-1618’ in: idem, Reformation and revolt in the Low Countries (Londen 1990) 267-293, aldaar 287 en 289; G.J. Schutte, ‘Nederland: een calvinistische natie?’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 107 (1992) 690-702, aldaar 685. (terug naar tekst)

2. Schutte, ‘Nederland: een calvinistische natie?’, 693. (terug naar tekst)

3. Joke Spaans, Haarlem na de Reformatie. Stedelijke cultuur en kerkelijk leven, 1577-1620 (Den Haag 1989) 16 en 233-234. (terug naar tekst)

4. A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt (Assen 1974) 83 e.v.. (terug naar tekst)

5. Jonathan I. Israel, The Dutch Republic. Its rise, greatness and fall, 1477-1906 (Oxford 1995) 372-373. (terug naar tekst)

6. Olaf Mörke, ”Konfessionalisierung’ als politisch-soziales Strukturprinzip? Das Verhältnis von Religion und Staatsbildung in der Republik der Vereinigten Niederlanden im 16. und 17. Jahrhundert’, Tijdschrift voor sociale geschiedenis 16 (1990) 31-60, aldaar 33-36. (terug naar tekst)

7. Spaans, Haarlem na de Reformatie, 236. (terug naar tekst)

8. A.Th. van Deursen, ‘Calvinisten’ in: idem, Mensen van klein vermogen. Het ‘kopergeld’ van de Gouden Eeuw (Amsterdam 1992 (1978)) 289-311, aldaar 292. (terug naar tekst)

9. Israel, The Dutch Republic, 366 en 390. (terug naar tekst)

10. Van Deursen, ‘Calvinisten’, 297-298. (terug naar tekst)

11. Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 326; Van Deursen, ‘Calvinisten’, 310. (terug naar tekst)

12. Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 227-229 en 275. (terug naar tekst)

13. Van Deursen, ‘Calvinisten’, 310. (terug naar tekst)

14. Idem, 304. (terug naar tekst)

15. Mörke, ‘Konfessionalisierung’, 46. (terug naar tekst)

16. Israel, The Dutch Republic, 434. (terug naar tekst)

17. Idem, 434-436. (terug naar tekst)

18. Idem, 394 en 480-482. (terug naar tekst)

Reageren