Henricus Höveker (1807-1889) – boekverkoper en uitgever

0
1111

Wat heeft de dichter Isaäc da Costa te maken met het genre van de streekroman? Ik denk niet dat veel mensen deze link kunnen leggen.

Da Costa was een beroemde joods-christelijke dichter uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Streekromans vormen gemakkelijk leesvoer voor vooral oudere vrouwen, vaak met een christelijk element, al heb ik de indruk dat dat laatste steeds minder wordt. Vrijwel alle streekromans komen tegenwoordig bij één uitgever vandaan: Kok-Ten Have. Eén van de belangrijkste labels waaronder deze romans verschenen was tot 2014 de zogenaamde VCL-serie. Wie weet nog waar deze letters voor staan?

De Vereeniging ter bevordering van Christelijke Lectuur.

Deze vereniging is halverwege de negentiende eeuw opgericht in de Réveilkring en gaf christelijke lectuur uit. Bijbelverklaringen, borchures over actuele kwesties of verhalen uit de kerkgeschiedenis. Zoek maar eens op Google Books op de naam van deze vereniging en je krijgt een aantal voorbeelden van deze boeken te zien. En de auteurs? Dat waren dus mensen uit de Réveilkring. Da Costa was één van hen. Veel van de eerste boeken uit de VCL-serie waren van zijn hand. Er waren in die tijd ook wel dichtbundels tussen, maar geen romans. Die kwamen pas veel later en op een gegeven moment kregen ze het alleenrecht. Uiteindelijk bleef alleen het specifieke genre van de streekromans nog over.

Maar bij het Réveil is het dus begonnen. En de man erachter was de Amsterdamse boekverkoper en uitgever Henricus Höveker. Hij was de initiatiefnemer en hij gaf de boeken uit de VCL-serie uit. Over hem heb ik jaren geleden een lemma geschreven voor het Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme. Wat nu volgt is een iets aangepaste versie van dat lemma.

Höveker werd geboren in Amsterdam op 5 oktober 1807. Hij had geen gelukkige jeugd. Al op zesjarige leeftijd verloor hij zijn vader, waarna hij verder opgroeide in het gezin van zijn oudste zus en deel had aan het ongelukkige huiselijk leven daar. Toen hij oud genoeg was om zelf iets voor de kost te doen, kwam hij weer bij zijn moeder in huis, in Breukelen, en werd hij kleermakersknecht. Vervolgens keerde hij met moeder en zus terug naar Amsterdam. Zijn moeder en zus gingen in betrekking, hijzelf werd loopjongen. Schoolonderwijs had hij nooit genoten, maar hij had een onverzadigbare leeslust en die deed hem al snel naar iets anders uitzien. Zo kwam hij in dienst bij de boekverkopersfirma ‘Onder de Linden’.

Op 1 mei 1831 trouwde hij met Elisabeth Johanna Christina van Ommen Boddendijk. Tien dagen later opende hij zijn eigen zaak in de Anjelierstraat. Vanaf het begin richtte hij zich op het verkopen en ook uitgeven van christelijke lectuur, waaronder veel oude schrijvers zoals À Brakel, Smijtegelt en Van der Groe. Hierdoor trok hij de aandacht van de Réveil-vrienden Willem de Clercq, Jozua van Eik en Matthijs Westendorp. Zij gaven hem boeken uit Engeland, Duitsland, Zwitserland en Frankrijk, die door hem in vertaling uitgegeven werden en gretig aftrek vonden. De Réveil-vrienden zagen wel wat in een sterke christelijke boekhandel en op hun aanraden associeerde Höveker zich in 1834 met de Rotterdammer Willem Messchert.

Maar nog binnen een jaar keerde Messchert teleurgesteld naar Rotterdam terug. De samenwerking was mislukt, mee doordat Höveker in tegenstelling tot het Réveil een grote toenadering tot de afgescheidenen toonde. Toen er in 1835 ook in Amsterdam een afgescheiden gemeente gevormd werd, sloot hij zich daarbij aan en een jaar later werd hij er diaken. Ook stelde hij zijn huis open voor hun samenkomsten. Driemaal leverde dat hem een boete van ƒ 100,- op omdat er meer dan twintig mensen aanwezig waren. De afgescheiden gemeente van Amsterdam kende in de beginjaren nogal wat conflicten en bij één ervan raakte ook Höveker betrokken. Samen met zijn zwager Dirk Lijssen, ook diaken, en de ouderlingen Johan Adam Wormser en Diedrich Arnold Budde werd hij geschorst. Weliswaar werd die schorsing na drie maanden weer opgeheven, maar Höveker had genoeg van de afgescheidenen en keerde terug naar de Hervormde Kerk. Daarbij beloofde hij aan de kerkenraad voortaan ‘als boekverkoper de uitgave van zoodanige geschriften te vermijden, welke de waarheid niet betrachten in de liefde en de ontbinding der Hervormde kerk bedoelen.’

Deze woorden tekenen precies de houding die Höveker in de rest van zijn leven aannam. Vooreerst betekende dat een hernieuwde samenwerking met de mannen van het Réveil. In 1843 nam hij het initiatief tot de oprichting van de al genoemde VCL. In 1847 was hij betrokken bij de oprichting van de Vereeniging tot verbreiding der Waarheid. Twee jaar eerder had de eerste vergadering van de Christelijke Vrienden plaatsgevonden en het was op voorstel van Höveker dat men onder meer besloot tot de uitgave van het blad De Vereeniging: Christelijke Stemmen, dat in 1847, natuurlijk bij Höveker, verscheen. Ook andere tijdschriften zagen nu het licht zoals Het Mannakruikje, Zondagsblad, Timotheus en De Christelijke Verzamelaar. Daarnaast gaf hij nu veel werk uit van schrijvers uit de Réveilkring, waaronder Da Costa, Capadose, Groen van Prinsterer en nog vele anderen. Een groot zakelijk succes was bijvoorbeeld een goedkope heruitgave van Groens Handboek der Geschiedenis van het Vaderland. Dat was een idee geweest van de deurwaarder Wormser, die goed met Groen bevriend was. Ook de zending kreeg de aandacht van Höveker. Hij was in 1855 betrokken bij de oprichting van het Javacomité en gaf het Geïllustreerd Zendingsblad uit.

Ondertussen vormde hij met zijn geestverwant Wormser, die nog steeds afgescheiden was, een kring van gelovigen, bestaande uit hervormden en afgescheidenen, met de gereformeerde belijdenis als grondslag. In 1862 keerde ook Wormser terug tot de Hervormde Kerk. Zij aan zij streden zij daar tegen de moderne richting. Hövekers dochter Catharina Johanna trouwde met de zoon van Wormser en deze Johan Adam jr. werd per 1 januari 1870 in de zaak opgenomen. Daarbij werd de firmanaam gewijzigd in Höveker & Zoon (later Höveker & Wormser). Inmiddels was de zaak verplaatst naar de Warmoesgracht.

De waarheid stond Höveker dus voor, maar dan wel in liefde. Deze tweeslachtige opstelling deed hem in de laatste jaren van zijn leven niet alleen stelling nemen tegen een vrijzinnig predikant als P.H. Hugenholtz jr., maar ook tegen iemand als Abraham Kuyper. Toen de kerkstrijd in Amsterdam, die uiteindelijk uitliep op de Doleantie van 1886, nog in het beginstadium was, streed Höveker nog mee aan de kant van Kuyper. In 1872 was hij één van de ondertekenaars van het protest dat de geschiedenis in is gegaan als het ‘vergrijp’ der 17 ouderlingen en hij gaf het blad De Heraut uit. Maar gaandeweg maakte hij zich los uit het kamp van de volgelingen van Kuyper. Hij wilde niet meewerken aan wat hij het ontbinden van de Hervormde Kerk noemde. Toen in januari 1886 bijna de volledige Amsterdamse kerkenraad door het Classicaal Bestuur geschorst werd, zat Höveker juist als ouderling in dat Classicaal Bestuur en stemde voor de schorsing. Het bracht hem in conflict met zijn schoonzoon en zijn weigering om nog langer geschriften van dolerenden of het blad De Heraut uit te geven, bracht hem tot de beslissing om zich per 1 april terug te trekken uit de zaak.

De drie en een half jaar die hem nog restten, besteedde hij aan schrijven. Al vanaf de jaren zestig had hij diverse geschriften van eigen hand uitgegeven en verschillende artikelen geschreven over de bijbel, over het leven als christen en tegen het modernisme. In de jaren tachtig schreef hij steeds meer. Nog in 1889 gaf hij een open brief aan Allard Pierson uit. Later dat jaar, op 28 oktober, onderweg naar een vergadering van het kiescollege, overleed hij plotseling.

Höveker was een man met een grote kennis van de bijbel en de gereformeerde beginselen. Hij had een juiste kijk op personen en zijn boekhandel heeft, volgens A.C. Kruseman, ‘een onberekenbaren invloed geoefend op zijn tijd en zijn volk en is een der merkwaardigste voorbeelden van de macht, die een uitgever kan hebben te midden van de maatschappij waarin hij zich beweegt.’

De boekhandel van Höveker & Wormser werd, zonder de uitgeverij, in 1906 overgenomen door de werknemer W. ten Have. De uitgeverij van Höveker & Wormer ging korte tijd later failliet. De VCL-serie werd in 1909 overgedragen aan de firma J.H. Kok in Kampen. Ten Have begon ondertussen zijn eigen uitgeverij. Een tijd lang vormden de uitgeverijen Kok en Ten Have samen de firma Kok-Ten Have. Sinds 2011 zijn het weer twee aparte uitgeverijen, maar beiden opereren onder de paraplu van VBK|media, vanaf dezelfde locatie in Utrecht. De VCL-serie is in 2014 opgegaan in de Z&K Romanserie. Ik denk niet dat Höveker en de Réveil-vrienden hun idealen nog in die serie zouden herkennen…

Gebruikte literatuur

S.H. Buytendijk, Bladen uit mijn levensboek, Nijkerk (z.j.), 70-73, 81-82.

F.W. Egeling, ‘In memoriam Henricus Höveker’ in: Nieuwsblad voor den boekhandel, 8 november 1889.

R.B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam V, De kerk der hervorming in de negentiende eeuw: de strijd voor kerkherstel (Baarn 1978).

A.C. Kruseman, Bouwstoffen voor den geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel, gedurende de halve eeuw 1830-1880, II/2, Amsterdam 1887, 593-595.

J.C. Rullman, De strijd voor kerkherstel in de Nederlandsch Hervormde Kerk der negentiende eeuw, Amsterdam 1917.

J.P. Verhave, ‘Henricus Höveker. Uitgever van Groens Handboek der geschiedenis van het vaderland’ in: Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800 22 (1999) 30-39.

J.P. Verhave en W. Heijting, ‘Henricus Höveker en zijn Theologische Boekhandel’ in: A.J. van den Berg e.a. (red.) Aspecten van het Réveil in druk (Zoetermeer 1998) 40-51.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in