Ik ben christen. Als christenen geloof ik dat God de wereld geschapen heeft met alles wat daar op leeft. Alle planten en dieren. En ook de mensen. Wij zijn allemaal zijn schepselen. Ik ook. God heeft ook mij geschapen.

En toch zeg ik tegelijk dat God mij niet geschapen heeft.

Waarom?

Als er een kindje geboren wordt met een handicap, hoor je mensen wel eens zeggen dat God dat kindje zo geschapen heeft. Maar heeft God dan een foutje gemaakt in zijn scheppingswerk? Sommige mensen die zich christen noemen, zeggen dat inderdaad. Maar dan zou God feilbaar zijn. En dan zou zijn scheppingswerk niet echt goed zijn. Dan ontken je zijn goedheid en zijn almacht.

Anderen zeggen dat het betekent dat het kindje ook met handicap gewoon goed, volmaakt is. Maar is het wel juist om te zeggen dat een handicap goed is? Doe je God als schepper daar wel recht mee? Dan ontken je zijn goedheid niet, maar denk je dan niet te min van wat het eigenlijk betekent dat God goed is?

Of neem nu mensen met een homofiele geaardheid. Zoiets is aangeboren, zeggen we tegenwoordig. En, zegt men dan zomaar, God heeft iemand zo geschapen. En als Gods scheppingswerk goed is, wie zijn wij dan om te zeggen dat homoseksualiteit fout is en dat je niet volgens zo’n geaardheid mag leven? Dan laten we onze morele keuzes en overtuigingen dus bepalen door wat we menen te zien als Gods scheppingswerk en niet door wat Hij ons in de Bijbel over goed en kwaad verteld heeft.

Het kan heel gevaarlijk zijn om simpelweg te zeggen dat God mij geschapen heeft.

Er valt meer over te zeggen. Het is niet de hele waarheid. En zo’n halve waarheid leidt er zomaar toe dat je een verkeerd beeld krijgt van wie God is en wat Hij wil. Dan ken je Hem niet echt en kun je Hem ook niet echt liefhebben en dienen.

Als we zeggen dat God alle mensen geschapen heeft, dan is dat in algemene zin. God heeft de mensheid geschapen. Dat er mensen zijn, is het resultaat van Gods scheppingswerk.

Maar het is niet juist om te zeggen dat God elk individueel mens geschapen heeft. In eigenlijke zin heeft God immers maar twee mensen geschapen: Adam en Eva. Alle andere mensen zijn geboren uit het natuurlijke proces dat bij de schepping in gang gezet is.

Als God schept, betekent dat dat Hij op een bovennatuurlijke manier ingrijpt. Adam schiep Hij uit stof. Eva uit een rib van Adam. Maar ik ben op natuurlijke wijze geboren uit mijn vader en mijn moeder.

Ik ben dus niet door God geschapen.

Wel in algemene zin. Maar niet in eigenlijke zin.

Ik heb gemerkt dat het bij sommige christenen hard aankomt als je dit zegt.

Ja, verstandelijk snappen ze het. Maar ze vinden het gevoelsmatig moeilijk te accepteren dat ze niet zelf als individu door God geschapen zouden zijn.

Het is immers een fijn idee als je kunt zeggen dat je precies bent zoals God je bedoeld heeft. Dat Hij als een liefdevolle kunstenaar jou precies zo gemaakt heeft als je nu bent. En het is toch een rustgevende gedachte dat je in dit leven alleen maar jezelf hoeft te zijn, omdat dat nu eenmaal is zoals God je bedoeld heeft.

Velen gebruiken dat als argument om zich te ontworstelen aan verwachtingen en regels van mensen, van de kerk, ja zelfs van de Bijbel en dus van God zelf. Dat geldt niet alleen voor homo’s.

Wij allemaal willen zo graag onszelf zijn en onze natuurlijke aanleg volgen.

Tegen zulke mensen wil ik twee dingen zeggen.

In de eerste plaats: dat je niet als individu door God geschapen bent, wil niet zeggen dat jouw bestaan het gevolg is van toeval. God heeft de schepping sinds Hij die geschapen heeft niet aan haar lot overgelaten. Hij staat niet aan de zijlijn als passieve toeschouwer te kijken wat er gebeurt en hoe de natuurlijke processen verlopen. Het is zelfs niet zo dat Hij alleen zo nu en dan ingrijpt en even bijstuurt, alleen wanneer dingen iets te veel uit de hand dreigen te lopen.

Nee, alles wat er gebeurt, heel het verloop van alle natuurlijke processen, al het doen en laten van alle mensen, ja van alle schepselen, wordt actief door God bestuurt.

Dat noemt de Bijbel Gods voorzienigheid.

Er valt nog geen musje van het dak en nog geen haar van mijn hoofd buiten Hem om (Mattheüs 10:29-30). Er gebeurt echt helemaal niets zonder dat Hij het wil. Sterker nog, er gebeurt echt helemaal niets zonder dat Hij het doet.

In die zin is dus ook mijn bestaan het gevolg van wat God doet. Hij was actief betrokken bij alles wat ertoe geleid heeft dat ik er ben en dat ik ben zoals ik ben.

Vandaar dat David kan zeggen:

Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.
Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
(Psalm 139:13-16 HSV)

David belijdt dus dat God hem gemaakt heeft. Niet in algemene zin. Nee, heel specifiek, als individu. En als dichter gebruikt hij daar zelfs het woord ‘geschapen’ voor.

Het is dus niet nodig om je de troost te laten ontnemen dat God als een kunstenaar jou precies zo gemaakt heeft zoals je bent en zoals Hij je wilde hebben.

God heeft je wel degelijk gemaakt zoals je bent. En daarin zit heel veel wonderlijk moois.

En toch is dat maar de helft van het verhaal. Want in de tweede plaats: er is een zondeval geweest.

Gods schepping is bedorven.

Gods schepping is niet meer zoals die bedoeld is. Er is kwaad in de wereld gekomen.

Moreel kwaad: mensen doen zonde. Ze zijn ongehoorzaam aan God en verwondden daarmee zichzelf en elkaar. Dat is geen vrije keuze van mensen. Nee, sinds de zondeval is de menselijke aard bedorven. Zondigen is voor mensen onvermijdelijk geworden. We zijn van nature geneigd tot zondigen. We willen niets anders dan zondigen. Tenzij God ons opnieuw geboren laat worden en we ons tot Hem bekeren. Pas dan komt er weer een echt verlangen om Hem te gehoorzamen en het goede te doen. Maar zelfs dan blijft er nog iets over van onze oude zondige natuur. Zelfs al willen we niet meer zondigen, we doen het onvermijdelijk toch nog.

Daarom kun je nooit de natuurlijke aanleg van mensen als norm nemen voor goed en kwaad.

Wij zijn niet meer zoals God ons geschapen heeft.

Wij zijn niet meer zoals God ons bedoeld heeft. Of we nu een natuurlijke neiging hebben tot homoseksualiteit of niet, onze natuurlijke verlangens kunnen ons nooit vertellen welke keuzes God wel of niet goedkeurt in ons leven. Alleen de Bijbel kan ons daarbij helpen.

Dat betekent dus ook dat leven als christen meer inhoudt dan simpelweg ontdekken wie je bent en vervolgens zijn wie je bent. Het leven van een christen is een continu proces van herschepping. Je wordt steeds minder wie je van nature bent en steeds meer wie je zou moeten zijn. Zoek je identiteit en levensdoel dus niet in wie je bent, maar in wie je bezig bent te worden: beeld van Christus.

Behalve moreel kwaad is er sinds de zondeval ook niet-moreel kwaad: rampen, ziekten, handicaps. De wereld is een gebroken wereld. Heel de schepping zit vol gebreken. Die zijn op zichzelf niet zondig. Maar ze zijn wel het gevolg van de zonde.

Die gebrekkigheid is ook zichtbaar in hoe natuurlijke processen verlopen.

Er gaan dingen fout. Ook bij de menselijke voortplanting.

Er gaan kinderen dood voordat ze geboren worden. Er worden kinderen geboren met een handicap.

Zo heeft God het niet gewild. Het is niet goed. Het past niet bij zijn goede schepping. En daarom zal Hij het ook niet zo laten. Er komt een nieuwe wereld waar dat kwaad er niet meer is. Toch leidt Hij het in zijn voorzienigheid nu nog wel zo. Het kwaad dat in wereld gekomen is, neemt Hij nu nog niet weg. Hij gebruikt het om er voor zijn kinderen iets goeds uit te laten voortkomen. Hij trekt ons juist door dat kwaad dichter naar zich toe (Romeinen 8:28-30).

Dat is vaak moeilijk te begrijpen. Het is vaak moeilijk te accepteren. Maar het is wel zoals God zelf het in zijn Woord zegt. En dus geloof ik het en vertrouw ik me daarin aan Hem toe. Dan kan ik bij alles wat mij overkomt zeggen: het is goed zo. Terwijl ik tegelijk ook mag en zelfs moet zeggen: het is helemaal niet goed zo!

Dat geldt dus ook voor aangeboren afwijkingen. Als je een kindje krijgt waar iets mis mee is, mag je toch zeggen: het is goed zo. En daarom kun je ook voor zo’n kindje echt dankbaar zijn en kun je er echt van genieten. Maar tegelijk mag en moet je ook zeggen: het is helemaal niet goed zo. En daarom blijft er ook ruimte voor je moeite en je verdriet waar je in de zorg voor je kind steeds weer mee geconfronteerd wordt. Het is soms gewoon heel zwaar en pijnlijk. Je kunt dat bij God neerleggen en je mag weten: straks wordt het anders. Straks wordt het echt goed.

Kortom, er is dus alle reden om duidelijk onderscheid te maken tussen Gods scheppingswerk en Gods voorzienigheid.

Als God schept, is het resultaat echt goed, volmaakt, zonder gebreken. Maar in Gods voorzienigheid maakt Hij gebruik van het kwaad dat er bij de zondeval in zijn schepping gekomen is. Daar moeten we oog voor houden. Dat kwaad moeten we zien, benoemen en haten. Om te verlangen en te streven naar wat wel echt goed is.

Ik wil daar nog één opmerking over maken.

Veel christenen zien dit onderscheid tegenwoordig niet meer zo duidelijk. Ik vermoed dat dat voor een deel komt doordat Gods scheppingswerk tegenwoordig ook onder christenen ter discussie staat. Velen geloven niet meer dat God de wereld in zes dagen geschapen heeft, uit het niets, op bovennatuurlijke wijze.

Veel christenen denken dat God alleen een natuurlijk evolutieproces in gang gezet en geleid heeft.

Maar dan beperk je Gods scheppingswerk enorm. Want Gods leiding van het evolutieproces is geen scheppingswerk meer, maar voorzienigheid. En ja, dan vervagen er allerlei duidelijke onderscheidingen. Wat is dan nog het verschil tussen Adam en Eva en ons? Ook Adam en Eva zijn dan voortgekomen uit een natuurlijk proces. En waar blijft dan het onderscheid tussen Gods goede schepping vóór de zondeval en de bedorven schepping daarna? Evolutie veronderstelt immers al gebrekkigheid en dood.

Zo zie je dus dat het omarmen van de evolutieleer echt niet zonder gevolgen is. We laten scheppingswerk en voorzienigheid door elkaar lopen. Dat heeft grote consequenties voor hoe je tegen God en tegen zijn schepping aankijkt. Voor je het weet vervaagt je zicht op Gods almacht en Gods goedheid en daarmee ook op Gods leiding in ons leven en Gods normen voor ons leven!

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in