In het afgelopen jaar ben ik regelmatig het beeld tegengekomen van God als pottenbakker. Meerdere preken gebruikten dat beeld of hadden het zelfs als onderwerp. Bovendien was het het jaarlijkse huisbezoekthema van mijn eigen plaatselijke kerk. Het is blijkbaar een populair beeld dat veel mensen aanspreekt: God die ons vormt zoals Hij ons hebben wil.

Het opvallende was echter dat het beeld niet steeds op dezelfde manier uitgelegd en toegepast werd. Wel werd steeds Jeremia 18 gebruikt als uitgangspunt. Maar de een verbond dat nadrukkelijk met Paulus’ woorden in Romeinen 9, terwijl de ander een verband tussen Jeremia en Romeinen juist afwees. De een legde de nadruk op Gods soevereiniteit: God doet met ons wat Hij maar wil. De ander legde de nadruk op onze verantwoordelijkheid: wij moeten ons door God laten kneden.

Dat laatste is natuurlijk een aantrekkelijke toepassing als je Jeremia leest. Hij zegt:

Zo daalde ik af naar het huis van de pottenbakker. En zie, hij was op de draaischijven een werkstuk aan het maken. Mislukte de pot die hij aan het maken was met de klei in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het in de ogen van de pottenbakker goed was om te maken.
(Jeremia 18:3-4 HSV)

Als je dit leest is het heel verleidelijk om de nadruk te leggen op het proces van het vormen en kneden. God is continu met ons aan het werk. De ene keer zus, de andere keer zo. Soms lijkt ons leven de ene kant uit te gaan, maar dan gaat het opeens toch een andere kant uit. Dan heeft God zeker besloten om toch iets anders van ons te maken, net zoals de pottenbakker soms opnieuw begint. Deze manier van uitleggen sluit heel mooi aan bij wat mensen in hun eigen leven ervaren. De vele moeiten in het leven en de vele soms onverwachte wendingen krijgen zo een mooie betekenis. En de moraal van het verhaal is dan: laten wij ons wel door God kneden? Of werken we Hem tegen? Stellen we ons onder zijn hand wel soepel en buigzaam op, als klei dat zich gemakkelijk laat vormen? Of verzetten we ons en gaan we koppig onze eigen gang?

Toch heb ik eerlijk gezegd grote problemen met deze uitleg.

In de eerste plaats vind ik dat je zo het beeld van de pottenbakker veel te ver oprekt. Je leest er dingen in die er niet staan. Waar gaat het om in dit beeld? Om het proces van het kneden? Om het mislukken en weer opnieuw beginnen? Over de rol en de verantwoordelijkheid van de klei?

Het is waar dat God in het vervolg tegen Jeremia zegt dat Hij het ene moment dit doet en het andere dat. Dat Hij reageert op het kwaad dat mensen doen of op hun berouw. Maar moet je dit verbinden met het mislukken en opnieuw beginnen? Dat lijkt me toch van niet! Gods werk kan immers niet mislukken. Als Hij een pottenbakker is, dan is Hij een volmaakte pottenbakker die alleen perfect werk aflevert. Experimenteren, trial and error, dat is er bij Hem niet bij.

Ooit klei gezien die tegenwerkt?

In de tweede plaats, het hele idee dat wij ons moeten laten kneden en God niet moeten tegenwerken, lijkt me juist regelrecht in strijd met het beeld van een pottenbakker. Ooit klei gezien die tegenwerkt? Natuurlijk, de ene klei is weerbarstiger dan de andere. Maar klei is altijd levenloos materiaal dat niets in te brengen heeft. Klei kan de pottenbakker zeker niet tegenwerken. Het heeft geen andere ‘keus’ dan passief ondergaan wat de handen van de pottenbakker doen.

Volgens mij bevat Jeremia 18 duidelijke aanwijzingen dat juist dat de spits is van dit beeld. In vers 4 ligt de nadruk niet op het mislukken, maar op het vrije oordeel van de pottenbakker. Hij begint opnieuw en maakt iets anders, alleen omdat dat ‘goed is in zijn ogen’. Hij doet met de klei wat hij wil en de klei heeft niets in te brengen. En dát is het idee waar het vervolg op voortborduurt.

Daarbij is in de derde plaats ook de context heel belangrijk.

Het gaat hier niet direct over ons, maar over Israël in de tijd voor de ballingschap.

Israël is ontrouw aan God en dient afgoden. God klaagt tegenover Jeremia dat Israël zich niet wil bekeren. Bekering? Dit is hun reactie:

Zij zeggen echter: Daar is geen hoop op, wij volgen immers onze eigen plannen. We doen ieder overeenkomstig zijn verharde, boosaardige hart.
(Jeremia 18:12 HSV)

Israël denkt: we hoeven nergens bang voor te zijn. Wij zijn Gods uitverkoren volk. Nooit zal Hij ons in de steek laten:

Het onderricht van onze priesters, de raad van onze wijzen, de verkondiging van onze profeten zullen allerminst verdwijnen.
(Jeremia 18:18 NBV)

Maar Gods boodschap is: Israël moet niet denken dat ze ongestraft hun gang kunnen gaan, ook al zijn ze zijn volk:

Zou Ik met u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? spreekt de HEERE. Zie, zoals de klei in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, huis van Israël.
(Jeremia 18:6 HSV)

God waarschuwt dat Hij met Israël kan doen en ook zal doen wat Hij maar wil. Als ze zich niet bekeren, zal Hij straffen. Dat is iets heel anders dan dat God zich afhankelijk maakt van hun reactie. Het is niet zo dat God kneedt en kneedt in de hoop dat ze zich bekeren en dat Hij, als het Hem niet lukt hen zover te brengen, dan maar iets nieuws probeert in de hoop dat het dan wel lukt. Nee, de boodschap hier is: Ik doe met jullie wat ik wil, dus pas op! Ik kan jullie ook kapot maken! Dat jullie mijn uitverkoren volk zijn, betekent niet dat jullie niets van Mij te vrezen hebben!

Daarom moet Jeremia een kruik stukbreken en tegen Israël zeggen dat God zo Israël zal stukbreken (Jeremia 19:10-11). Het volk zal worden weggevoerd in ballingschap en Jeruzalem zal worden verwoest. De lijken zullen zich opstapelen in het dal Ben-Hinnom, daar waar kinderen geofferd werden aan de afgoden. Tegelijk ook de plek waar de pottenbakkers werkten en het vol lag met scherven aardewerk (Jeremia 19:1-6). Daar zullen straks dus de scherven van Israël liggen.

Is dat het einde? Ja en nee.

Israël zal de Messias verwerpen.

Nee, want Israël komt weer terug uit de ballingschap en straks komt de Messias. Maar het beeld kijkt ook verder. Israël zal de Messias verwerpen. Voor het bloedgeld waarmee ze Jezus verraden hebben, kopen ze een pottenbakkersakker als begraafplaats voor pelgrims (Mattheüs 27:7-10). Volgens de vroegchristelijke overlevering lag die begraafplaats in het dal Ben-Hinnom. Opnieuw liggen daar straks dus de scherven van Israël. Pelgrims: dat zijn immers vrome Joden die naar de tempel in Jeruzalem blijven trekken alsof de Messias nog steeds niet gekomen is. En zo wijst God juist bij de verwerping van zijn Zoon terug naar zijn profetie in Jeremia 18 en 19.

En dan begint God iets nieuws: Hij gaat naar de heidenen.

Is dat omdat Hij in arren moede de conclusie trekt dat Hij met Israël toch echt niets kan beginnen? Nee, het is altijd al zijn plan geweest. De uitverkiezing van Israël was altijd al met oog op het heil voor alle volken.

Daarmee komen we bij wat Paulus zegt in Romeinen 9. Hij heeft het daar over de uitverkiezing. En dan draait het vooral om de vraag hoe het nu zit met Joden en heidenen. Hoe kan het dat er zo weinig Joden tot geloof gekomen zijn in Jezus Christus? Heeft God de Joden verworpen? Heeft Hij de heidenen in hun plaats gesteld? Maar is God dan niet ontrouw geworden aan zijn beloften? Paulus legt uit God altijd al uitkoos en verwierp. Izak tegenover Ismaël. Jacob tegenover Ezau. Niet iedereen is een echt kind van Abraham. Niet iedereen heeft deel aan Gods beloften. Sommigen worden door God uitgekozen, anderen niet. Dat is altijd zo geweest (Romeinen 9:6-13).

Waarom de een wel en de ander niet?

Paulus legt uit dat God mensen uitkiest, niet op grond van wat ze gedaan hebben, maar alleen omdat Hij dat wil (Romeinen 9:14-18). Maar doet God dan geen onrecht? Kan Hij mensen nog wel iets verwijten als Hij zelf bepaald heeft dat ze zich niet zullen bekeren? Begrijpelijke vragen waar we als christenen op z’n tijd allemaal mee worstelen. Paulus reageert erop door het beeld van de pottenbakker aan te halen:

Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt? Zal ook het maaksel tegen hem die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp klei het ene voorwerp tot een eervol, het andere tot een oneervol voorwerp te maken?
(Romeinen 9:20-21 HSV)

Paulus verwijst hier zowel naar Jesaja als naar Jeremia. Vers 20 bevat een citaat uit Jesaja 45:9. Wij mogen God niet ter verantwoording roepen:

Wee hem die het tegen zijn Formeerder opneemt
– een potscherf tussen aarden scherven.
Zal het leem soms tegen zijn formeerder zeggen: Wat maakt u?
Of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen?
(Jesaja 45:9 HSV)

Maar vers 21 doet meer denken aan Jeremia 18:4. God maakt wat Hij wil en doet met zijn maaksel wat Hij wil. Dat is wat Paulus wil zeggen met de woorden van zowel Jesaja als Jeremia. Zowel bij Paulus als bij Jeremia draait het om uitverkiezing en verwerping. Om het soeverein handelen van God die met mensen doet wat Hij wil.

De vraag is dus niet: werken we God niet tegen? Kan Hij ons wel vormen zoals Hij wil? Laten wij zijn werk niet mislukken? Nee, de vraag is: erkennen we zijn macht en zijn recht wel? Buigen we wel voor zijn oordeel? En dus: bekeren we ons wel? Want als we niet buigen en ons niet bekeren, zal Hij ons straffen. Voor eeuwig stuk breken.

Dat is een waarschuwing tegen verbonds-automatisme.

Individueel: als je gedoopt bent en Gods beloften hebt gekregen, betekent dat niet automatisch dat je ook gered bent. God kan je wel degelijk verwerpen. Maar ook collectief: kerken waar eeuwenlang Gods woord zuiver verkondigd werd, kunnen door Hem aan hun lot overgelaten worden als ze het gezag van dat woord loslaten. God kan de kandelaar wegnemen (Openbaring 2:5).

Natuurlijk gaat het dan over onze verantwoordelijkheid. Wat is onze reactie op Gods woord? Als de Bijbel het beeld van de pottenbakker gebruikt, is dat een appel op ons tot ontzag, gehoorzaamheid en bekering. Dat zijn allemaal dingen waar wij verantwoordelijk voor zijn. Maar dit beeld wil ook duidelijk maken dat onze verantwoordelijkheid ondergeschikt is aan Gods soevereiniteit. Als wij ons gehoorzaam bekeren, is dat omdat Hij dat zo beschikt heeft. Elke uitleg van het beeld van de pottenbakker die die boodschap negeert of minimaliseert, die onze verantwoordelijkheid en Gods soevereiniteit van elkaar losmaakt of tegen elkaar uitspeelt, doet de bedoeling van de Bijbel ernstig tekort.

Dit is een minder zoetsappige boodschap dan veel mensen graag horen. Is het een minder troostvolle boodschap? Niet als ik me inderdaad bekeer en God gelovig gehoorzaam. Dan is het juist een boodschap met een veel rijkere troost! Onze redding is niet afhankelijk van onze medewerking. Wij hoeven niets bij te dragen. Het is niet aan ons te danken dat God het evangelie aan ons, de heidenen, gegeven heeft toen Israël de Messias verwierp. Het is niet aan mij te danken dat ik dat evangelie gelovig aanvaard heb. God is het die redt. Alleen omdat Hij dat wil. Een zekerder basis is er niet. Als ik op Hem vertrouw, kan het nooit meer misgaan.

3 REACTIES

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in