Vandaag is de synode van de GKV officieel van start gegaan. En voor velen draait het op die synode eigenlijk maar om één ding: komen er in de GKV vrouwelijk ambtsdragers of niet? Het gaat spannend worden. Want of het nu ja of nee wordt, er zullen kerkleden zijn voor wie het uiteindelijke antwoord onverteerbaar is. Zelfs als er weer een compromis uitkomt.

Zo zijn er bijvoorbeeld voorstanders van vrouwen in het ambt die de kerken een hard verwijt maken: zolang we als kerken vrouwen niet toelaten tot alle ambten, maken we ons schuldig aan discriminatie. Dan onderdrukken we vrouwen.

Het mag dan een hard verwijt zijn, zo’n verwijt klinkt moderne mensen helaas wel vaak redelijk in de oren. We worden in onze cultuur overspoeld met de boodschap: mannen en vrouwen zijn gelijk. Ze hebben dezelfde rechten. Dezelfde plichten en verantwoordelijkheden. Ze kunnen hetzelfde werk doen. Ze moeten daar dus ook de mogelijkheid voor krijgen. En het liefst moeten ze die mogelijkheden nog benutten ook.

Als je dag in dag uit wordt ondergedompeld in een cultuur die leeft naar deze boodschap, wordt het heel lastig om te snappen waarom we het in de kerk anders doen. En waarom dat géén discriminatie zou zijn.

En toch houdt ik het vol: dat vrouwen in de kerk geen ambt mogen vervullen, heeft niets met discriminatie te maken. Sterker nog, eerlijk gezegd snap ik er weinig van als een christen iets anders zou willen beweren. Want volgens mij gaat het hier om essentiële christelijke waarden. Ik durf te beweren: wie hier het discriminatieverwijt van de wereld overneemt, is voor een deel het zicht kwijt op wie God is.

Grote woorden. Ik zal een poging doen ze te onderbouwen aan de hand van drie kernwoorden: gelijkwaardigheid, roeping en zelfverloochening. Maar ik geef vooraf toe: al is dit artikel aan de lange kant, toch is het nog veel te beknopt voor een goed beargumenteerd betoog.

1Gelijkwaardigheid

In de eerste plaats gaat het hier natuurlijk om het verschil tussen gelijkwaardigheid en gelijkheid. Als christenen hebben we altijd gezegd: mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig. Ze weerspiegelen beiden het beeld van God. En ze delen beiden in de redding en vernieuwing in Christus. Toch hebben we ook altijd gezegd: mannen en vrouwen zijn niet gelijk. Ze hebben verschillende taken en verantwoordelijkheden. De vrouw is ondergeschikt aan de man. De man leidt. De vrouw volgt. Misschien zelfs wel: de vrouw gehoorzaamt.

Moderne mensen snappen dat niet meer. Hoe kun je nu spreken over gelijkwaardigheid als de een zich moet schikken onder de ander? Het probleem is volgens mij dat moderne mensen het begrip gelijkwaardigheid anders invullen. Omdat ze hun eigenwaarde ergens anders zoeken dan christenen doen of zouden moeten doen.

Voor ons als christenen ligt onze eigenwaarde in ons beeld van God zijn en in onze vernieuwing in Christus. Onze eigenwaarde ligt niet in onze positie hier op aarde. Onze eigenwaarde ligt niet in ons werk, onze talenten, onze verantwoordelijkheden, ons gezag, onze bezittingen, onze prestaties, onze relaties, onze rechten en vrijheden.

Maar dat zijn nu net de dingen waarin zondige mensen van nature wel hun eigenwaarde zoeken. En ja, als daar je eigenwaarde ligt, dan is het logisch dat je bij gelijkwaardigheid denkt aan gelijkheid in juist die dingen. Dan word je socialist, omdat iedereen evenveel bezit moet hebben. Dan word je liberaal, omdat iedereen evenveel vrijheid moet hebben. Dan word je anarchist, omdat niemand iets te zeggen mag hebben over een ander. Want we zijn allemaal gelijkwaardig.

Kinderen zijn gelijkwaardig aan hun ouders. Leerlingen zijn gelijkwaardig aan hun leraren. Werknemers zijn gelijkwaardig aan hun werkgevers. Onderdanen zijn gelijkwaardig aan hun overheden. Gewone kerkleden zijn gelijkwaardig aan leden van de kerkenraad. Zeker, dat is waar. Moeten we dan maar al het gezag afschaffen? Zover wil vrijwel niemand gaan, want ieder snapt dat dat leidt tot een onleefbare chaos. Maar ondertussen zien we wel overal de gevolgen van dit verkeerde idee van gelijkwaardigheid. Gezag heeft het moeilijk. We snappen allemaal dat we niet zonder gezag kunnen. Maar zelf buigen onder gezag van een ander kunnen we steeds moeilijker. Wij allemaal.

Maar als christenen zouden we daar niet zo’n moeite mee moeten hebben. Gezag is geen doorkruising van gelijkwaardigheid. Gezag is niet gebaseerd op de waarde van de gezagsdrager. Gezag komt van God. Buigen voor dat gezag is dus buigen voor God. Hij verhoogt en Hij verlaagt. Hij plaatst mensen in bepaalde posities. Dat doet Hij tijdens hun leven, maar ook al meteen bij het begin van hun leven, door hen in bepaalde posities geboren te laten worden.

Onze koning was bij zijn geboorte al voor het koningschap bestemd. Tegenwoordig vinden velen dat niet eerlijk. Waar heeft hij dat aan verdiend? Maar vroeger accepteerden we dat als Gods leiding. Een koning is door God geroepen en regeert bij de gratie Gods.

En zo laat God ook de ene helft van de mensheid als man geboren worden en de andere helft als vrouw. Hij geeft beiden verschillende taken en verantwoordelijkheden. Hij geeft beiden een verschillende roeping.

2Roeping

Het woord roeping speelt in de discussie over vrouwen in het ambt een cruciale rol. Ook ambtsdragers worden door God geroepen. En nu staan er steeds meer vrouwen op die stellen dat God ook hen persoonlijk geroepen heeft om een ambt te bekleden. En als de kerk hun geen ruimte geeft om die roeping te gehoorzamen, dan voelen zij zich gediscrimineerd.

Natuurlijk snap ik dat het heel frustrerend is als je een roeping voelt van God zelf en als mensen het je dan onmogelijk maken er gehoor aan te geven. Maar is een wettige roeping niet meer dan een innerlijke overtuiging van de geroepene zelf? Een roeping komt niet uit jezelf. Je kiest er niet zelf voor. Een roeping komt van buitenaf. Daarom moet de innerlijke roeping bevestigd worden door een uiterlijke roeping door de kerk. Niemand is wettig geroepen tot een ambt, als de kerk hem niet roept. En voordat de kerk iemand roept, toetst zij de innerlijke roeping, of die wel echt van God komt.

Waaraan wordt die roeping getoetst? Aan Gods Woord. Is iemand echt geschikt volgens de normen die Gods Woord aan ambtsdragers stelt? Dat is de vraag waar het om gaat. En als Gods Woord zegt: het ambt is niet voor vrouwen, dan kan de kerk de innerlijke roeping van een vrouw dus niet bevestigen met een uiterlijke roeping. Dan kan zo’n vrouw nog zo sterk een innerlijke roeping voelen, maar het is geen wettige roeping. En dus kan de kerk die roeping niet erkennen als een roeping van God.

Het werkt ook omgekeerd. Zelfs al ben je er oprecht van overtuigd dat je, ook als vrouw, geschikt bent voor het ambt, zolang je innerlijke roeping niet door de kerk bevestigd wordt met een uiterlijke roeping, heb je ook zelf nog geen bevestiging dat je innerlijke roeping echt is. Dan kun je ook zelf die roeping niet erkennen als een roeping van God. Laat staan dat je op basis daarvan verwijten kunt doen doen aan anderen, bijvoorbeeld dat je de kerk beschuldigt van discriminatie.

Immers, geroepen worden is geen recht voor iedereen. We worden toch niet allemaal geroepen? Er zijn ook genoeg mannen die nooit in aanmerking komen voor het ambt. En sommigen van hen zouden dat misschien best willen. Maar dat is toch geen discriminatie?

Een roeping is per definitie een voorrecht voor enkelingen. Een privilege. Wie geroepen wordt, wordt uitverkoren en apart gezet. Het tegendeel van gelijkheid dus. En vaak is het tegelijk een zware verantwoordelijkheid die je liever aan je voorbij zou laten gaan en waar je slechts schoorvoetend gehoor aan geeft. Maar waar je geen nee tegen durft zeggen.

Tenminste, dat was vroeger zo. Tegenwoordig lijkt nee zeggen een stuk gemakkelijker geworden. Ik heb het idee dat dat voor een belangrijk deel komt doordat we bij het beoordelen van een roeping tegenwoordig vooral kijken naar iemands natuurlijke gaven en talenten. Geschiktheid voor het ambt meten we af aan dingen als sociale vaardigheden, inlevingsvermogen, spreekvaardigheid, organisatietalent.

Natuurlijk, heel fijn als kerkenraadsleden daar goed in zijn. Maar is het hebben van zulke gaven een reden om uiterlijk geroepen te worden of je innerlijk geroepen te voelen? Als dat zo zou zijn, ja dan is het moeilijk te begrijpen waarom vrouwen niet geroepen zouden kunnen worden. Ze hebben immers echt niet minder gaven dan mannen.

Maar in de Bijbel zie ik vaak dat God voor taken en ambten mensen roept die daar helemaal niet zo geschikt voor lijken te zijn. Ze missen talenten die zijzelf of anderen onmisbaar vinden. Maar de Geest geeft wat mensen van nature niet hebben. Wij versmallen gaven van de Geest vaak tot natuurlijke talenten. Maar als dat de gaven van de Geest zijn, dan zouden ongelovigen ook delen in die gaven. Nee, waar de Geest zijn gaven geeft, kan het gebeuren dat iemand die van nature een slechte spreker is, toch met vrucht het woord voert of leiding geeft. Of dat iemand die van zichzelf nogal eigenwijs, hoogmoedig of driftig is, toch nederig en zachtmoedig zichzelf kan verloochenen tot opbouw van de gemeente.

3Zelfverloochening

Als we onze roeping laten samenvallen met onze natuurlijke talenten, wordt roeping een vorm van zelfontplooiing. Maar als we ons geroepen weten tot een taak die onze natuurlijke aanleg te boven gaat, stijgen we met Gods hulp boven onszelf uit. Maar dat vraagt wel zelfverloochening.

Dat voelen we extra sterk als onze roeping bepaald én begrensd wordt door wat al bij onze geboorte vast lag: ons man of vrouw zijn. De man mag zijn verantwoordelijkheid niet afschuiven op de vrouw en evenmin zijn gezag misbruiken ten koste van de vrouw. De vrouw mag niet naar zich toetrekken wat ze aan de man moet overlaten. En voor beiden betekent dat, dat wat je moet doen of laten vaak niet past bij je talenten en voorkeuren. Je kunt niet altijd doen wat je graag doet of waar je goed in bent. Je moet een deel van jezelf loslaten.

Dat vinden moderne mensen niet fijn. Is zelfontplooiing voor moderne mensen vaak niet het hoogste levensdoel? Maar God vraagt van ons dat we ons leven op een ander doel richten: Hemzelf. Liefde voor Hem moet ons hoogste doel zijn. En dat uit zich dan in liefde voor mensen. Zelfverloochening dus.

God zelf heeft ons dat voorgedaan. Christus deed naar zijn menselijke natuur afstand van zijn goddelijke majesteit en kwam naar de aarde om ieders slaaf te zijn. En Hij deed ons voor wat het inhoudt om dienend leiding te geven. Maar ook naar zijn goddelijke natuur is er in zekere zin een rangorde of volgorde tussen de Zoon en de Vader en tussen de Geest en de Zoon. Jazeker, Vader, Zoon en Geest zijn een van wezen. Ze delen dezelfde goddelijke natuur. En die zin zijn ze volstrekt gelijkwaardig. Toch wordt er van de Zoon gezegd dat Hij van eeuwigheid ‘gegenereerd’ is uit de Vader. En Hij is bij wijze van spreken uit de Vader voortgekomen. En de Geest gaat uit van Vader en Zoon beiden. De Geest wijst nooit op zichzelf, maar altijd naar de Zoon en de Vader. En de Zoon voert alleen maar uit waar de Vader Hem toe bestemd heeft.

Natuurlijk, dit is een mysterie. Hoe het in de drie-eenheid zit met gelijkwaardigheid en rangorde, zullen we nooit begrijpen. Maar dit is zeker: gelijkwaardigheid is hier geen gelijkheid. Elk van de drie personen heeft een eigen positie met een eigen taak en verantwoordelijkheden ten opzichte van elkaar. En deze variatie in het wezen van God zelf wordt weerspiegeld in de mens. Ook mensen krijgen van God verschillende posities ten opzichte elkaar, met taken en verantwoordelijkheden waar ze niet zelf voor gekozen hebben en zelf misschien ook nooit voor zouden kiezen.

Conclusie

Als we als christenen ons laten inpakken door het idee dat gelijkwaardigheid tussen man en vrouw zou moeten inhouden dat ze gelijk zijn qua positie, taken en verantwoordelijkheden, beroven we onszelf van heel veel moois. Erger nog, dan raken we essentiële christelijke waarden kwijt. Dan ontzeggen we onszelf het dagelijks onderwijs in zelfverloochening dat het verschil tussen mannen en vrouwen ons biedt. Dan worden we autonome mensen die zelf bepalen wat hun taak in het leven is, die leven voor zichzelf, voor de zelfontplooiing van het eigen ik. Dan leren we af om te aanvaarden wat God ons te doen en te dragen geeft en om te buigen onder door God gegeven gezag en daarmee onder Gods eigen gezag. Dan verliezen we het zicht op de door God zelf geschapen orde die een weerspiegeling vormt van zijn eigen wezen.

Dan scheppen we onze eigen wereldorde waarin alle mensen gelijk zijn, waarin gezag geen basis meer heeft. Een orde die eigenlijk geen orde meer is, maar chaos en anarchie. Een platte orde waaruit elke gezonde dynamiek verdwenen is, omdat er geen reliëf meer is die die dynamiek in gang kan houden.

En dan scheppen we ons ook zelf een schepper naar dat platte beeld zonder dynamiek. Een schepper die in ons leven weinig meer te zeggen heeft, omdat Hij geen gezag en geen macht meer heeft. Omdat we zelf bepalen wat onze taken en verantwoordelijkheden zijn. Omdat we onze eigenwaarde niet meer ontlenen aan Hem, maar aan onszelf.

Dan kunnen we dat nog heel christelijk laten klinken. Dan kunnen we spreken over een roeping van God en over het inzetten van onze gaven voor Hem. Maar ik vrees dat we onszelf daarmee dan voor de gek houden. Omdat het in wezen nog maar draait om één ding: we willen doen wat wij graag willen en waar wij goed in zijn. We streven autonoom naar zelfontplooiing, als mensen van deze wereld.

Het is heel goed om graag ambtsdrager te willen zijn. Maar wie zichzelf met zijn of haar talenten en verlangens tot norm neemt en zich gediscrimineerd voelt als hij of zij niet in aanmerking komt, ook al is hij of zij geschikt, is juist niet geschikt. Want ambtsdrager zijn vraagt om de bereidheid een kruis te dragen dat je liever niet wilt dragen en dat je misschien voor je eigen gevoel ook helemaal niet kunt dragen. Dát is de gehoorzame zelfverloochening die elke christen past. En waar wijzelf, de kerk en heel de wereld wel bij varen.

2 REACTIES

  1. Dank voor de heldere en Schriftuurlijke uiteenzetting!
    Hier heb ik wat aan!
    Hopelijk niet alleen ik, maar alle meelezers en meedenkers!
    Els.

Reageren