Het lijkt er dan toch van te komen: vrouwelijke ambtsdragers in de GKV. De deputaten M/V en ambt stellen de synode van 2017 voor om alle ambten open te stellen voor vrouwen.

Velen uiten hun enthousiasme daarover. Ik niet. Ik heb het deputatenrapport gelezen. Maar ik kan er met geen mogelijkheid mee instemmen. Ik zal proberen zo kort mogelijk duidelijk te maken waarom.

De kern van het rapport zie ik in paragraaf 2.2.4. De deputaten hebben in de voorgaande paragrafen geprobeerd brede lijnen te tekenen over hoe de Bijbel spreekt over de verhouding tussen mannen en vrouwen. En in paragraaf 2.2.4 wordt dat samengevat. ‘Het beeld is complex en daardoor meerduidig,’ is de conclusie. En dan wordt er een onderscheid gemaakt in vier lagen die in de Bijbel door elkaar zouden lopen (blz. 11-12):

  • Schepping
  • Gebroken realiteit
  • Bevrijdend herstel
  • Fundamentele vernieuwing

In die verdeling kan ik mij nog wel vinden. Het is waar dat de verhouding tussen en mannen en vrouwen na de zondeval verstoord is geraakt. Het is waar dat die gebrokenheid diep doorwerkt in de maatschappij, ook al in de tijd van de Bijbel. Het is waar dat die gebrokenheid in de Bijbel tot op zekere hoogte geaccepteerd wordt als een gegeven. Denk bijvoorbeeld maar aan hoe de Bijbel omgaat polygamie of slavernij. Het is waar dat er door Christus’ verlossingswerk een herstel is ingezet en dat dat herstel vooral zichtbaar moet worden in de kerk. Daar moeten mensen fundamenteel anders met elkaar om gaan.

En het is ook waar dat deze lijnen in de Bijbel door elkaar lopen en dat je daarom goed moet opletten voor je conclusies trekt.

Toch kan ik me op cruciale punten niet vinden in hoe de deputaten deze verdeling in lagen invullen. Ik wil dat laten zien aan de hand van de eerste en de derde laag.

Schepping

Bij de eerste laag, de schepping, noemen de deputaten alleen dat man en vrouw samen, als eenheid, geschapen zijn naar Gods beeld en dat er in die eenheid sprake is van wederkerigheid.

Geen woord dan over de man als hoofd. Geen woord over verschil in positie tussen man en vrouw.

Hoort dat volgens de deputaten dus niet bij de scheppingsorde? Is dat dan enkel het gevolg van de zondeval? Hoort het alleen bij de gebrokenheid? Moet dat uiteindelijk dan weer verdwijnen bij het herstel en de vernieuwing?

Maar Paulus dan?

In 1 Timotheüs 2:13 zegt Paulus:

Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. (HSV)

En in 1 Korinthiërs 11:8-9:

De man immers is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. Want ook is een man niet geschapen omwille van de vrouw, maar een vrouw omwille van de man. (HSV)

Voor Paulus zijn dit argumenten om beperkingen op te leggen aan vrouwen in hun verhouding ten opzichte van mannen. En natuurlijk kun je dan nog allerlei vragen stellen. Wat wil Paulus precies? En moeten wij het nu nog net zo doen als Paulus destijds voorschreef?

Maar voor je zulke vragen stelt, is iets anders veel belangrijker: Paulus ziet blijkbaar in de schepping wel degelijk iets van een rangorde tussen man en vrouw. Het is niet zomaar een historisch feit dat Adam eerder werd geschapen dan Eva. Nee, de volgorde ‘eerst Adam, dan Eva’ heeft voor Paulus consequenties. Er is tussen man en vrouw niet alleen maar wederkerigheid zonder meer.

Zien de deputaten dat anders? Lezen zij Genesis 2 anders dan Paulus deed?

Dat zou heel erg zijn! Want Paulus was een apostel van Christus. Een door de Geest geïnspireerde Bijbelschrijver. Als Paulus in Genesis 2 een rangorde tussen man en vrouw ziet, dan ziet Gods Geest zelf die rangorde. Dan is het via Paulus God zelf die aangeeft: dat er verschil in positie is tussen man en vrouw, dat is iets dat Ik bij de schepping al zo bedoeld heb.

Tegenstrijdig

Toch nemen de deputaten niet expliciet afstand van Paulus’ interpretatie van Genesis. Ze noemen een aantal keer dat Paulus een beroep doet op de schepping. Ze noemen dat mannen een ‘koppositie’ innemen en voorop moeten gaan (blz. 24 en 59). En ze zeggen dat je Paulus’ woorden daarover niet zomaar mag negeren (blz. 21).

Alleen, wat dat zou moeten betekenen, laten de deputaten volledig in het midden. De fundamentele gelijkwaardigheid en wederkerigheid wordt door de deputaten zo sterk benadrukt, dat alle ruimte voor verschil daarmee wordt weggedrukt.

De deputaten zeggen wel dat je Paulus’ woorden niet mag negeren. Maar ondertussen doen ze het toch. Paulus’ woorden krijgen geen enkele normerende functie in hun betoog.

Daardoor ontstaat er een absurde tegenstrijdigheid in het rapport. Dat wordt vooral zichtbaar als je de uiteindelijke voorstellen aan synode leest en die confronteert met de opdracht die de deputaten van de vorige synode hebben gekregen. Om bij die opdracht te beginnen: de deputaten moesten onderzoeken hoe vrouwen zich zouden kunnen inzetten binnen de ambtelijke structuur. Nu had de synode ook uitgesproken dat de Bijbel twee lijnen laat zien: gelijkwaardigheid en verschil in verantwoordelijkheid. En aan de deputaten werd uitdrukkelijk opgedragen die beide lijnen in hun voorstellen te laten uitkomen.

Maar wat stellen de deputaten voor? Eerst volgt er een lange reeks van voorstellen waarin stap voor stap alle ambten volledig worden opengesteld voor vrouwen. En pas als die voorstellen door de synode zijn aangenomen, stellen de deputaten voor om ook nog even

de kerken op te roepen zich nader te bezinnen op de vraag hoe recht kan worden gedaan aan de verschillen tussen man en vrouw.

Want, zeggen ze (blz. 70):

In onze sterk op gelijkheid gerichte cultuur verdient dit aspect speciale aandacht.

Natuurlijk! Maar het is toch absurd om eerst ver gaande besluiten te nemen waarbij dit aspect volledig genegeerd wordt en dan daarna, als doekje voor het bloeden, nog even op te roepen tot bezinning? Terwijl de vorige synode opdracht had gegeven dat aspect volledig mee te nemen!

Hoe kan het dat de deputaten zich zo volledig laten meeslepen door het gelijkheidsideaal, dat ze gewoon niet meer weten wat ze aan moeten met Gods onderwijs over de ongelijkheid tussen man en vrouw? Hoe kan het dat ze dat allemaal bewust naast zich neer leggen en toch durven beweren dat hun voorstellen Bijbels verantwoord zijn?

Ik denk dat dat veel te maken heeft met hoe de deputaten de derde laag over het herstel invullen.

Zuurdesem

Ze hebben het over het koninkrijk der hemelen als een zuurdesem dat effect heeft op de samenleving nu. Een Bijbels beeld natuurlijk. En natuurlijk hebben ze ook gelijk als ze zeggen dat je ook in onze westerse samenleving van vandaag de vruchten daarvan ziet. Ook in de verhouding tussen man en vrouw.

Zeker, het is winst dat vrouwen in onze maatschappij niet meer door mannen overheerst worden zoals dat vroeger ging. En dat mag je zien als een doorwerking van het evangelie. Net zoals bijvoorbeeld de afschaffing van de slavernij in de negentiende eeuw.

Maar laten we ons niet vergissen! De afschaffing van de slavernij kwam tot stand in een nog voluit christelijke samenleving. En het waren christenen die daar hard voor gewerkt hebben. Juist ook in die tijd ontstond er steeds meer oog voor de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen.

Maar nog geen gelijkheid. Het streven naar volledige gelijkheid kwam pas later, als gevolg van het feminisme. Is dat ook het effect van het evangelie? Of is dat misschien het gevolg van het loslaten van dat evangelie?

Heeft het ons niets te zeggen dat deze ontwikkeling samenvalt met het leeglopen van de kerken? Met het ontstaan van een samenleving die van Gods geboden weinig meer wil weten? Een samenleving die Gods scheppingsorde volledig wil omkeren en vernietigen? Die niets wil weten van het huwelijk als levenslang verbond, tussen een man en een vrouw? Die mensen zelf laat beslissen over hun dood of over dat van hun ongeboren kinderen?

Afval

Dat brengt mij op een essentiële vraag: belooft de Bijbel ons werkelijk dat de samenleving tussen Christus’ hemelvaart en zijn terugkomst zich langzamerhand zal herstellen? Is het wel waar dat het zuurdesem van het evangelie steeds verder zal doorwerken?

Ik lees in de Bijbel ook heel andere dingen. In de tijd voor Christus’ terugkomst zal het net zo zijn als in de dagen van Noach en de dagen van Lot (Lucas 24:26:30). Met andere woorden: Christus zal terugkomen in een wereld die nog steeds niets van Hem wil weten en gewoon haar eigen gang gaat.

Ja, er zal een kerk zijn. Maar zelfs in de kerk zal sprake zijn van grote afval. Er komen dwaalleraars die veel aanhang krijgen. Er komt zelfs een antichrist die Gods kerk als het ware zal kapen voor zichzelf (2 Thessalonicenzen 2:3-4).

Het koninkrijk van de hemel is een zuurdesem. Maar het effect daarvan zal niet altijd zichtbaar zijn. Het zal met kracht bestreden worden. Uiteindelijk zal het overwinnen. Maar pas als Christus terugkomt. Laten we niet blind zijn voor de tegenkrachten, die in een bepaalde tijd en cultuur vaak sterker lijken dan het evangelie.

Zulke blindheid zie ik wel bij de deputaten. Hoe komt dat? Hoe kan het dat zij een ontwikkeling in een onchristelijke maatschappij duiden als een doorwerking van het evangelie? Een ontwikkeling die duidelijk in strijd is met wat bijvoorbeeld Paulus voorschrijft?

Schriftgezag

De deputaten spreken mooie woorden over het gezag van de Bijbel als eenheid waarin God zichzelf nooit tegenspreekt. Maar dat relativeren ze meteen door erop te wijzen dat de Bijbel geen massieve tekst is die in één keer uit de hemel is gevallen. God heeft geduld gehad met mensen en hen in de loop van de tijd verder gebracht in hun denken en doen, zeggen ze (blz. 19).

En dat is natuurlijk waar.

Maar de deputaten gebruiken dat als argument om te stellen dat de Bijbel onduidelijk is wat betreft de verhouding tussen man en vrouw. En die onduidelijkheid biedt volgens hen ruimte om eigen keuzes te maken waarbij de gelijkheid alle nadruk krijgt. De duidelijke uitspraken van Paulus over ongelijkheid worden gerelativeerd omdat ze onderdeel zouden zijn van een proces dat nog steeds doorgaat. Het herstelproces dat na Christus’ verlossingswerk is ingezet, zou verder moeten gaan dan Paulus en anderen in het Nieuwe Testament aangeven.

Zo zeggen de deputaten het niet expliciet. Maar de manier waarop zij de verschillende lagen invullen en op basis daarvan alle nadruk leggen op gelijkheid ten koste van ongelijkheid, suggereert dat volgens mij wel.

Echter, op die manier wordt de Bijbel een onduidelijk boek met een open einde. Terwijl we als gereformeerden altijd gesteld hebben dat de Bijbel behalve gezaghebbend en onmisbaar ook voldoende en duidelijk is. Dat wil zeggen: er staat alles in wat we weten moeten en dat staat er bovendien zo duidelijk in dat we niet in onzekerheid hoeven te verkeren.

Laat je die principes los, dan komt er ruimte voor willekeur. En dan krijgen cultuur en eigen inzicht steeds meer invloed. Dan kun je uiteindelijk elke maatschappelijke ontwikkeling duiden als doorwerking van het evangelie en elk nieuw inzicht als leiding van de Heilige Geest.

Dat is volgens mij de oorzaak dat de deputaten het duidelijke onderwijs van Paulus over de verschillende positie van man en vrouw als scheppingsgegeven naast zich neerleggen. Ze accepteren de Bijbel niet meer als duidelijk en voldoende voor het leven nu in onze moderne westerse cultuur.

En dat verkeerde uitgangspunt vormt de basis waarop heel het rapport gebouwd is.

Vraagstelling

Eigenlijk zie je het al fout gaan bij de vraagstelling die de deputaten voor zichzelf geformuleerd hebben. Hun vraag is niet of mannen en vrouwen een verschillende positie hebben. Hun vraag is zelfs niet of mannen en vrouwen in de kerk een verschillende positie moeten hebben. Nee, hun vraag is (blz. 4)

of het gerechtvaardigd is dat vrouwen in de kerk (en in het ambt) een andere positie hebben dan in de maatschappij.

Deze vraag is dus niet gericht op een verschil tussen mannen en vrouwen, maar op een verschil tussen kerk en maatschappij. En dan gaat het er niet om of de maatschappij mag afwijken van de kerk, maar of de kerk mag afwijken van de maatschappij.

Met zo’n vraag accepteer je de gelijkheid van mannen en vrouwen dus al bij voorbaat als iets goeds. Sterker nog, je verheft die als een norm. Je verheft de maatschappij als norm. De enige vraag is nog of de kerk zich aan die norm moet aanpassen of niet.

Maar met zo’n uitgangspunt kan het al niet anders meer of je komt uit bij het standpunt dat er in de kerk geen verschil mag zijn tussen mannen en vrouwen. Want welke reden zou er dan nog kunnen bestaan om het anders te doen? Elk geldig argument heb je al bij voorbaat afgewezen.

Wat mij betreft biedt dit rapport dus een tegenstrijdig verhaal op een wankele basis. Haal je die basis eronder weg, dan komt de tegenstrijdigheid volledig bloot te liggen en stort het hele bouwwerk als een kaartenhuis ineen.

6 REACTIES

  1. Blij met deze nieuwe bijdrage van uw hand. Boeiend: het steekt een spa dieper en is daardoor bij de kern terechtgekomen. Aanpassing aan cultuur en maatschappij en eigen autonomie krijgen voorrang boven het universele Woord van God.
    Wij hebben de weg naar de DGK mogen vinden en ondervinden de rijke zegen van een kerkelijke gemeenschap die wel de hele Schrift, het Sola Scriptura, wil laten gelden. We hopen dat veel broeders en zusters die nu nog onder misleidende GKv prediking zitten, zich bij ons zullen voegen om zo samen kerk van Christus te zijn.
    Hartelijke groet,
    Riet Sollie-Sleijster

    • Door alle GKv-predikanten over één kam te scheren en hen uit te maken voor misleiders, voedt u de karikaturen die binnen de GKv over de DGK bestaan.

    • De uitzonderingen daargelaten. Ik weet dat er nog goede predikanten binnen het GKv-verband zijn. Maar hoe kunnen zij het daar uithouden met de ontwikkelingen van de laatste jaren? En hoe leiden zij hun schapen, hun gemeenten? Waar komen zij terecht? Als je leest wat Jos Douma zegt in zijn interview in het RD van vandaag, dan slaat de schrik je eens te meer om het hart. Dwaalleer in ernstige vorm op veel verschillende vlakken wordt getolereerd.
      Wat ds Dick de Jong schrijft in zijn laatste “knoop’: “Ik zag mezelf als een dienstweigeraar met als excuus mijn gevorderde leeftijd” trof me. Zo kunnen we veel excuses bedenken, maar de Here vraagt onze trouw in zijn dienst. En dat niet alleen met woorden, maar ook met daden.
      En ja, tegen karikaturen is het moeilijk strijden. Een karikatuur maken is m.i. vergelijkbaar met laster verspreiden.

  2. Kreeg het zeer heldere verhaal gelukkig doorgestuurd! Het verdient brede verspreiding!
    Zeer gaarne de nieuwsbrief!
    P. Schelling

  3. P.dijkstra

    Ben ook blij met en verrast over uw taxatie van het rapport”man vrouw” Op heldere en eenvoudige wijze worden de denklijnen van de deputaten blootgelegd. Ik hoop dat veel broeders en zusters in de GKV dit schrijven lezen en er vervolgens wat mee gaan doen, Ik denk dat de moeiten in de GKV op dit moment vele malen ernstiger zijn dan inde tijd van de vrijmaking (1944).
    Ik denk dat mevrouw Riet Sollie niet alle GKV predikanten over een kam scheert, als zij het heeft over `veel broeders en zusters`. Dus (lang’) niet alle. Wel is het verblijdend dat EHL dit ziet als een karikatuur. Een karikatuur is immers niet een werkelijkheid , maar een beeld wat vooral ontstaat door veel geroddel en onzuiver spreken over de ander.
    Wens de heer Veldman alle goeds en Gods zegen .
    p.dijkstra

  4. Ik dank God voor je helder commentaar.
    Wij zijn 32 jaat in het buitenland geweest en staan verbaasd wat hier nu gebeurt.
    De methode van de deputaten lijkt veel op het werk van Dr. William Webb, waar ik in Canada colleges Hermeneutiek bij heb gevolgd. Volgens Wayne Grudem komt het neer op een tegenspreken van het sola Scriptura.
    Ik ben druk bezig om mijn verdere reactie op “papier” te krijgen.
    We moeten bidden voor het goede zuudesem en een revival in de kerken!
    Aize Smit, M.Sc. M.Div.
    http://www.depoarte.org

Reageren