Vorige week heb ik uitgelegd wat het inhoudt dat christenen vrij zijn van de wet. Aan het begin van dat artikel noemde ik de ogenschijnlijke tegenstelling tussen de woorden van Paulus en die van Jezus. Paulus schaft de wet af. Jezus zegt dat de wet nooit wordt afgeschaft.

Maar deze tegenstelling verdwijnt als je twee dingen gaat beseffen.

  • ‘Afschaffen’ blijft bij Paulus beperkt tot de rituele wet en de vloek van de wet. De morele wet laat Paulus voluit overeind staan, ook voor christenen.
  • ‘Afschaffen’ is bij Paulus eigenlijk helemaal geen afschaffen, maar vervullen.

Dat vervullen kun je op drie manieren opvatten.

  • Jezus heeft zich zelf volmaakt aan de wet gehouden, zowel aan de rituele wet als aan de morele wet. Hij was zonder zonde.
  • Jezus heeft met zijn offer de rituele wet overbodig gemaakt. Die rituelen wezen immers vooruit naar dat offer.
  • Jezus heeft met zijn offer voldaan aan de eis van de morele wet. Die wet eiste immers de doodstraf van ieder die zich er niet volmaakt aan hield. Die straf heeft Christus namens ons gedragen.

Als je het zo ziet, blijkt opeens dat de woorden van Jezus en die van Paulus prima met elkaar overeenstemmen. Immers, Jezus zegt ook zelf dat Hij gekomen is om de wet te vervullen:

Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is. Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen. Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan. (Mattheüs 5:17-20 HSV)

Jezus zegt dit aan het begin van de Bergrede. Straks gaat Hij de morele wet uitleggen. En dan gaat Hij de dingen scherp zeggen. Radicaal. Ruk liever je oog uit of hak liever je arm af dan dat je zondigt! Zó radicaal. En de reden daarvoor noemt Hij hier.

Rechtvaardigheid

Jezus is niet gekomen om ons vrijuit te laten zondigen. Nee, Hij is gekomen om een eind te maken aan onze zonden. Hij draagt de straf. Maar daar blijft het niet bij. Hij gaat ons vernieuwen. Want het koninkrijk van de hemel is alleen voor mensen die nog rechtvaardiger zijn dan de schriftgeleerden en farizeeën.

Schriftgeleerden en farizeeën: waren dat niet degenen die ijverig en precies de geboden van de wet probeerden na te leven? Inderdaad. En christenen moeten dat dus nog ijveriger en preciezer doen dan zij!

Dat gaat niet over de rituele wet. Jezus heeft het over rechtvaardigheid. Dat is de morele wet. En die morele wet is dus verre van afgeschaft!

En dat is ook eigenlijk heel logisch. Immers, de morele wet leert ons wat in Gods ogen goed en kwaad, rechtvaardig en onrechtvaardig is. En God zelf is volmaakt goed en rechtvaardig. Bovendien is Hij onveranderlijk en eeuwig. Daarom is de morele wet als norm voor goed en kwaad en voor rechtvaardig en onrechtvaardig ook volmaakt, onveranderlijk en eeuwig. Wat voor de zondeval goed was, is nog steeds goed en zal dat altijd blijven. En wat voor de zondeval kwaad was, is nog steeds kwaad en zal dat altijd blijven (Psalm 119:137-144).

Toch is er iets veranderd.

Vernieuwing en leiding

In het Oude Testament was de wet een strenge pedagoog die onder dwang eisen oplegde waar onmogelijk aan te voldoen was en zo angst inboezemde voor de vloek (Galaten 3:23-25). In het Nieuwe Testament is de wet een richtsnoer voor wie uit liefde het goede wil en ook kan doen. Dat komt omdat God de wet nu in het hart van de gelovigen legt (Jeremia 31:33). Ze krijgen een nieuw hart. Geen stenen hart, maar een hart van vlees (Ezechiël 36:26).

Christenen die zeggen dat wij nu door de leiding van de Heilige Geest als vanzelf het goede doen, hebben daarin dus wel degelijk gelijk. Opnieuw geboren christenen zijn niet langer onbekwaam tot goed doen en alleen maar geneigd tot kwaad doen.

Maar betekent dat ook dat we de wet zoals die in de Bijbel op papier staat niet langer nodig hebben? Kunnen we volledig toe met de leiding van Gods Geest in ons hart?

Er zijn in de geschiedenis heel wat christenen geweest die dat beweerd hebben. En die daarnaar geleefd hebben. En die al snel terecht kwamen in een losbandig leven. Paulus zag het al gebeuren. Hoe vaak waarschuwt hij niet om de vrijheid van de Geest niet te misbruiken om toe te geven aan de zondige begeerten van het vlees!

Maar hoe kan dat dan? Leidt de Geest dan tot losbandigheid? Nee, natuurlijk niet. Maar we moeten blijven beseffen dat we in dit leven nog niet volledig vernieuwd zijn. Er wordt in ons hart een strijd gevoerd tussen een oude en een nieuwe mens. Die nieuwe mens is wie we nu werkelijk zijn. Die vormt ons ware identiteit. Maar de oude mens is nog niet volledig uitgeroeid. Er zijn nog zondige begeerten in ons hart overgebleven, waar we elke dag tegen moeten vechten (Romeinen 7:13-25; Efeziërs 4:21-24).

Het is daarom naïef en levensgevaarlijk om enkel te vertrouwen op de leiding van de Geest. Want hoe herkennen we die leiding van de Geest eigenlijk? Hoe weten we wat leiding van de Geest is en wat leiding van ons oude zondige hart?

Je kunt natuurlijk eenvoudig zeggen: wat goed is komt van de Geest en wat kwaad is komt van onze zondig hart. Maar dan ga je dus uit van een norm waar je goed en kwaad aan kunt toetsen. Wat is die norm? De Bijbel! Gods wet! Gods geboden!

Ook dit is heel erg logisch. Ik zei hierboven al dat Gods norm voor goed en kwaad eeuwig is. Dat betekent dat de leiding van de Geest nooit in strijd kan zijn met deze norm. De leiding van de Geest in ons hart en de openbaring van Gods norm in zijn wet kunnen dus onmogelijk met elkaar in strijd zijn! En dus vormt Gods wet een bruikbare norm om te toetsen of de leiding die we ervaren inderdaad leiding van de Geest is. Tegelijk is Gods Woord en dus ook Gods wet ook het middel dat de Geest gebruikt om ons te leiden.

Paulus en de wet

Vandaar dat Paulus zo vaak voorschriften geeft over hoe we als christen moeten leven. Hij laat het niet aankomen op leiding van de Geest alleen, maar omschrijft duidelijk aan welke kenmerken je die leiding kunt herkennen. Ontucht, hebzucht, haat, bedrog, dat mag allemaal niet. Kuisheid, vrijgevigheid, liefde, waarheid, dat zijn de vruchten van de Geest.

En daarmee grijpt hij steeds terug op de morele wet zoals die al in het Oude Testament geopenbaard is, vooral in de Tien Geboden, en zoals Jezus die predikte in de Bergrede.

In Romeinen 13 citeert Paulus de geboden zes tot en met tien, plus de samenvatting daarvan uit Leviticus 19:18:

Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. Want dit: U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis geven, u zult niet begeren, en welk ander gebod er ook is, wordt in dit woord samengevat, namelijk hierin: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde de vervulling van de wet. (Romeinen 13:8-10 HSV)

Eigenlijk citeert Paulus hier Jezus. Een rijke jongeman vraagt Jezus wat hij moet doen om eeuwig leven te verdienen. En dan wijst Jezus hem op de Tien Geboden:

Hij zei tegen Hem: Welke? Jezus zei: U zult niet doden; u zult geen overspel plegen; u zult niet stelen; u zult geen vals getuigenis afleggen; eer uw vader en moeder; en: u zult uw naaste liefhebben als uzelf. (Mattheüs 19:18-19 HSV)

De jongeman denkt dat hij dat gedaan heeft, maar Jezus confronteert hem vervolgens met zijn onvolmaaktheid. Hoe hij ook zijn best doet, het is niet genoeg.

Jezus gebruikt de wet hier als een spiegel waarin zondige mensen zien hoe ellendig ze zijn (HC zondag 2). Paulus gebruikt exact dezelfde woorden als richtsnoer voor verloste en vernieuwde christenen (HC zondag 33). Zij hoeven zich niet meer volmaakt aan de morele wet te houden. Maar het kan niet bestaan dat je verlost bent, maar vervolgens je niet meer aan de morele wet wilt houden. Wie verlost is, heeft immers ook een nieuw hart gekregen.

Wie een nieuw hart heeft, wil graag het goede doen, ondanks alle onvolmaaktheid die er nog overgebleven is. Maar een nieuw hart betekent niet dat je als vanzelf weet wat het goede is. Daar heb je nog steeds de wet voor nodig.

De wet van Christus

Dat zie je heel duidelijk in Jezus’ bekende zendingsopdracht. Als Hij vlak voor zijn hemelvaart zijn apostelen de wereld instuurt, geeft Hij hen een duidelijke opdracht mee. Ze moeten van alle volken leerlingen van Jezus maken (Mattheüs 28:19). Hoe? Jezus noemt twee dingen:

  • Door hen te dopen.
  • Door hen te leren alles te doen wat Jezus geboden heeft.

Met andere woorden: Jezus geeft zijn apostelen een wet mee. En dat is de reden dat Paulus en de andere apostelen zo vaak precies aangeven hoe een christelijk leven eruit ziet. Inderdaad, christenen zijn vrij van de wet. Toch houden ze zich aan de wet.

In zijn eerste brief aan de Korinthiërs legt Paulus uit dat hij, om de Joden voor Christus te winnen, zich soms toch nog aan de rituele wet hield. Maar om heidenen voor Christus te winnen, hield hij zich juist niet aan de rituele wet. Zo wilde hij voor beide groepen zo veel mogelijk struikelblokken opruimen. Maar het is opvallend hoe hij dat formuleert:

En ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen. Voor hen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet, om hen die onder de wet zijn te winnen. Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen te winnen die zonder de wet zijn. (1 Korinthiërs 9:20-21 HSV)

De Joden staan onder de wet, zegt Paulus. Dat is de rituele wet. Heidenen staan niet onder die wet. Paulus en alle andere christenen ook niet. Maar zij staan wel onder een andere wet: de wet van Christus. Dat is de morele wet. De wet van goed en kwaad, die voor eeuwig geldt.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in