Minister Plasterk is om: hij gaat toch de zondagswet afschaffen. Daarmee komt een eind aan een jarenlange wettelijke bescherming van de zondagsrust, die het voor christenen mogelijk maakte om ongestoord kerkdiensten te houden, in elk geval op zondagmorgen.

Veel christenen zien dit besluit als het zoveelste bewijs dat politici anti-christelijk bezig zijn en dat er in onze maatschappij steeds minder ruimte is voor wie wil vasthouden aan een christelijke levensstijl. Een terechte inschatting denk ik. Aan de andere kant, gebruiken veel christenen nu niet erg grote woorden? Is de zondag een heilige dag, van een totaal andere orde dan de andere dagen van de week? Is werken of sporten op zondag nu echt een regelrechte godslastering?

Vooral in de behoudende hoek van de gereformeerde gezindte wordt het wel vaak zo gezien. En ik moet bekennen dat ik ook zelf lang geneigd geweest ben om op een wettische manier vast te houden aan een strikte zondagsrust. Ik weet nog dat ik het werkelijk vreemd vond dat een hooggeleerde historicus mij ooit wilde wijsmaken dat zondagsheiliging een relatief modern verschijnsel was.

Ik was bezig met mijn scriptieonderzoek naar Willem de Clercq en beschreef voor mijn scriptiebegeleider hoe De Clercq worstelde met zondagsrust en zondagsheiliging. Voor mij was dat vanzelfsprekend: als je als christen je geloof serieus nam en streefde naar een consequente christelijke levensstijl, dan nam je op zondag strikte rust. Maar mijn scriptiebegeleider hield vol dat dat helemaal niet zo vanzelfsprekend was. Dat het eeuwenlang normaal was dat er op zondag gewoon doorgewerkt werd. Ook in ons gereformeerde Nederland.

Ik kon het nauwelijks bevatten.

Tot ik Calvijns uitleg over het vierde gebod las. Calvijn begint met te zeggen dat het vierde gebod anders is dan de andere van de Tien Geboden. De andere geboden zijn moreel van aard. Maar het vierde gebod heeft ook een rituele kant. Calvijn beroept zich daarbij op de kerkvaders. Maar anders dan de kerkvaders wil de Calvijn het vierde gebod niet volledig ritueel noemen.

Volgens Calvijn heeft het vierde gebod drie betekenissen (Institutie, 2.8.28):

  • De sabbat is een voorafschaduwing van de eeuwige rust.
  • Het sabbatsgebod geeft ons de gelegenheid om als kerk samen te komen en om ons speciaal te concentreren op God.
  • Het sabbatsgebod gebiedt ons om andere mensen de ruimte te geven om te rusten en te ontspannen.

Het eerste punt heeft volgens Calvijn te maken met de rituele kant van dit gebod. De sabbat is immers een schaduw. Daarmee staat de sabbat op één lijn met de offerdienst en de spijs- en reinigingswetten uit het Oude Testament. Die dingen wezen vooruit naar Christus. En zo wijst ook de sabbat vooruit naar de rust die komt. Het heiligen van de sabbat was volgens Calvijn voor de Joden een les: ze moesten leren dat God hen heiligt. En dan zegt Calvijn:

Als onze heiliging bestaat uit het doden van onze eigen wil, dan ontdekken we een heel passende overeenkomst tussen het zichtbare teken en de inhoud zelf. Wij moeten rusten, om God in ons te laten werken. We moeten afstand doen van onze wil, ons hart overgeven en alle begeerten van het vlees opgeven. Kortom, we moeten ophouden met alles waar ons eigen verstand zich mee bezig houdt om in God te rusten, terwijl Hij in ons werkt.

– Institutie, 2.8.29

Die schaduwkant van het sabbatsgebod is volgens Calvijn in Christus vervuld. Calvijn doet daarbij een beroep op Paulus, die het houden van bepaalde feestdagen of de sabbat een schaduw noemt van de werkelijkheid die kwam, Christus (Kolossenzen 2:16-17):

Maar er is geen twijfel aan dat het rituele hieraan door de komst van de Heer Christus is afgeschaft. Want Hij is de waarheid zelf. Als Hij aanwezig is, verdwijnen alle uitbeeldingen. Hij is de werkelijkheid zelf. Als je Hem ziet, laat je de schaduwen los. Hij is, zeg ik, de werkelijke vervulling van de sabbat. … Die werkelijkheid beperkt zich niet tot één dag, maar omvat heel de loop van ons leven. Totdat we wat onszelf betreft volledig gestorven zijn en met Gods leven zijn vervuld. Daarom moeten christenen zich niet inlaten met een bijgelovig houden van bepaalde dagen.

– Institutie, 2.8.31

Kortom, volgens Calvijn is het niet langer de bedoeling dat we één dag afzonderen om strikte rust te houden. Nee, we moeten heel ons leven rusten. Elke dag. Niet van ons dagelijks werk, maar van onze zondige verlangens en onze zondige dagen. We moeten niet één specifieke dag heiligen, maar we moeten ons hele leven heiligen.

Calvijn gebruikt hier het woord ‘bijgelovig’. Bijgeloof is bij Calvijn alles wat mensen zelf bedenken om God mee te dienen. Dingen die God niet van ons vraagt, maar waarvan mensen denken dat ze Hem er een plezier mee doen en die ze vervolgens van elkaar gaan eisen alsof God zelf het eist.

Een voorbeeld van zulk bijgeloof is volgens Calvijn zondagsheiliging. Blijkbaar bestond dat toch ook in zijn tijd al, al verwijst Calvijn vooral naar het verleden. Hij zegt: er zijn in de afgelopen eeuwen valse profeten geweest die kletsten dat alleen de dag veranderd is. Vroeger de sabbat, nu de zondag. Maar zegt Calvijn:

Toch is dit niets anders dan de dag wijzigen om de joden te treiteren, terwijl je ondertussen blijft vinden dat je die dag op dezelfde manier moet heiligen. Immers, dan betekent het mysterie van de dagen ook voor ons nog hetzelfde als bij de joden. En we zien inderdaad wat ze met zo’n leer bereikt hebben. Want de mensen die aan hun bepalingen vasthouden, overtreffen de joden driemaal in hun grove en vleselijke bijgeloof over de sabbat.

– Institutie, 2.8.34

Toch betekent dit niet dat Calvijn niet wil vasthouden aan zondagsrust. Alleen, zijn argumenten daarvoor zijn vooral praktisch van aard. Door te rusten op zondag, ben je namelijk beter in staat om de andere twee betekenissen van het sabbatsgebod vorm te geven. En die betekenissen zijn moreel en dus nog steeds geldig.

Daarbij gaat het Calvijn vooral om de kerkelijke samenkomsten. Daarover zegt hij:

Gods Woord beveelt ons dat we als kerk samenkomen en hoe nodig dat is, blijkt duidelijk uit de ervaring van ons leven. Als die samenkomsten niet op bepaalde dagen waren vastgesteld, hoe zouden we die dan kunnen houden? Alle dingen moeten bij ons gepast en ordelijk gebeuren, zegt de apostel Paulus (1 Korinthiërs 14:40). Er is geen sprake van dat wat gepast en ordelijk is, in stand zou kunnen blijven als het niet publiek en goed geregeld was vastgelegd. Als je die regeling afschaft, dreigt er in de kerk vast en zeker een complete chaos en puinhoop.

– Institutie, 2.8.32

Vandaar dus zondagsrust. Die rust is van een andere orde dan de oudtestamentische sabbatsrust:

Wij vieren die dag niet met een angstvallige precisie als een ritueel dat volgens ons een geestelijk mysterie afbeeldt. Maar we accepteren die dag als een middel dat onmisbaar is om de orde te bewaren in de kerk.

– Institutie, 2.8.33

Voor mij was dit alles een eyeopener. En ik vroeg me af: hoe valt dit te rijmen met wat de Heidelbergse Catechismus leert over het vierde gebod? Maar tot mijn verbazing beperkt ook de Catechismus (zondag 38) zich tot twee dingen:

  • We moeten de kerkdiensten in standhouden en op zondag trouw bezoeken.
  • We moeten onze slechte daden nalaten en de Heer in ons laten werken door zijn Geest.

De Catechismus zegt niets over rusten op zondag, behalve dan dat de zondag wordt aangeduid als ‘de sabbat, dat is de rustdag’. Maar dat lijkt vooral een manier om duidelijk te maken dat we het woord ‘sabbat’ vooral niet moeten opvatten als de Joodse sabbat op zaterdag.

Nu is het wel opvallend dat de Catechismus volledig zwijgt over het aspect ontspanning. Calvijn noemt het wel als derde punt, maar gaat er niet diep op in. Bovendien lijkt hij het te beperken tot anderen. Je moet anderen, die onder jouw gezag staan, voldoende rust en ontspanning bieden. Calvijn denkt blijkbaar vooral aan de belangen van werknemers. Die mogen niet uitgebuit worden door bazen die ondertussen zelf nauwelijks een hand uitsteken. Die insteek is begrijpelijk in een standenmaatschappij, waarin ondergeschikten zelf vaak weinig tot niets in te brengen hadden.

Maar ik denk dat Calvijn er inderdaad geen probleem me zou hebben als je de zondag ook gebruikt om tot rust te komen en om ontspannende dingen te doen. Calvijn zag er zelf ook geen been in om op zondag het meer van Genève over te varen of een lange reis te paard te beginnen.

Maar wel na kerktijd. Want bij Calvijn staat de zondagsrust vooral in het teken van de kerkdiensten. Als je de hele week zo hard werkt dat je de zondag nodig hebt om bij te slapen en niet voldoende energie over hebt om met aandacht twee kerkdiensten te volgen, dan denk ik dat Calvijn zou zeggen dat je toch iets niet goed doet. Voldoende rust en ontspanning heb je nodig, erkent Calvijn. Maar daar mag de kerkdienst niet voor wijken. Zondagsrust is bedoeld om iedereen in staat te stellen ongestoord en vrij van andere zorgen en verplichtingen samen te komen onder Gods Woord.

Calvijn zou daarom een groot voorstander geweest zijn van het handhaven van onze zondagswet. Maar aan de andere kant zou hij wellicht hoofdschuddend gekeken hebben naar de discussies die onder gereformeerden nog steeds gevoerd worden over wat wel en niet mag op zondag. Mag je op zondag de krant lezen? Mag je op zondag internet gebruiken? Mag je op zondag kopen in een webshop?

In het Reformatorisch Dagblad is over die laatste vraag in de afgelopen weken serieus gediscussieerd. Met als gevolg dat boekhandel Den Hertog alsnog besloot de eigen site in het vervolg op zondag te sluiten. Net als het RD zelf al jaren doet met de eigen site.

Natuurlijk, ik kan me voorstellen dat er goede redenen zijn om op zondag niet op internet te gaan winkelen. Sterker nog, ik zou dat zelf niet doen. Maar mag je zoiets van elkaar eisen? Moet je elkaar dit zelfs beletten door sites op zondag te sluiten?

Ik denk dat Calvijn dit bijgeloof genoemd zou hebben.

Bron foto: Wikimedia Commons

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in