4.17.8 – Christus woont in ons vlees

0
12

Allereerst leert de Schrift ons dat Christus vanaf het begin het levendmakende Woord van de Vader is, de bron en oorsprong van het leven. Alle dingen hebben altijd hun leven gekregen van Hem. Daarom noemt Johannes Hem het ene moment het levenswoord en schrijft hij het volgende moment dat in Hem het leven was.1 Daarmee geeft hij aan dat Christus ook toen in alle schepselen binnendrong en in hen de kracht goot om te ademen en te leven. Maar dezelfde Johannes voegt er later aan toe dat het leven pas geopenbaard is toen Gods Zoon ons vlees aannam en zich zo voor onze ogen liet zien en zich door onze handen liet tasten. Weliswaar goot Hij ook daarvóór al zijn kracht uit in de schepselen. Maar de mens was door de zonde van God vervreemd en had geen deel meer aan het leven. Van alle kanten zag hij zich de dood boven het hoofd hangen. Daarom moest hij opnieuw worden aangenomen tot het deelhebben aan dat Woord, om de hoop op onsterfelijkheid terug te krijgen.

Stel nu dat je hoort dat Gods Woord het volle leven bevat. Maar je bent ver van dat Woord verwijderd en in jezelf en om je heen vind en zie je niets anders dan de dood. Waarom zou je dan op dat Woord vertrouwen? Maar de levensbron is in ons vlees komen wonen. Vanaf dat moment is Hij niet meer ver bij ons vandaan verborgen. Nee, Hij biedt zich aan ons aan, om ons deel aan Hem te laten krijgen. Sterker nog, zelfs het vlees zelf waar Hij in woont, geeft Hij ons als levendmakend vlees, om ons daar deel aan te geven en ons zo te voeden voor onsterfelijkheid.

Hij zegt: ‘Ik ben het levensbrood dat uit de hemel is neergedaald. Het brood dat ik geef, is mijn vlees. Ik zal dat geven voor het leven van de wereld.’2 Met die woorden leert Hij dat niet alleen het leven is voorzover Hij Gods eeuwige Woord is dat uit de hemels is neergedaald. Nee, Hij leert dat Hij die kracht toen Hij neerdaalde ook heeft uitgespreid over het vlees dat Hij heeft aangenomen, zodat het delen in dat leven naar ons zou stromen vanuit dat vlees.

Dat betekent dus ook dat zijn vlees echt voedsel en zijn bloed echt drinken is en dat de gelovigen door dat voedsel zo gevoed worden dat ze eeuwig leven. Voor vrome mensen ligt daarin een geweldige troost: in hun eigen vlees vinden ze nu het leven. Want niet alleen bereiken ze het leven zo via een gemakkelijke toegang. Het staat zelfs voor hun neus uitgestald. Ze hoeven alleen hun hart er maar voor open te zetten om de aanwezigheid ervan te omhelzen en dan krijgen ze het al.

1Johannes 1:1-4

2Johannes 6:48-51

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in