4.13.13 – Bezitloosheid is geen volmaaktheid

0
4

Maar de monniken voeren nog een ander argument aan voor hun volmaaktheid. Een heel sterk argument, vinden zij. Want tegen de jongeman die de Heer vroeg naar de volmaakte rechtvaardigheid, zei Hij: ‘Als je volmaakt wilt zijn, verkoop dan alles wat je hebt en geeft het aan de armen.’1

Of ze dit ook doen, daar heb ik het niet over. Laten we nu maar even toegeven dat ze het doen. Ze pochen dus dat ze volmaakt zijn geworden door alles wat ze hebben, op te geven. Als daarin in de kern ligt van volmaaktheid, wat bedoelt Paulus dan als hij leert dat je niets bent alles je alles wat je hebt aan de armen uitgedeeld hebt, maar geen liefde hebt?2 Wat is dat voor volmaaktheid als die met de mens verloren gaat als er geen liefde is?

Nu kunnen ze niets anders antwoorden dan dat dit wel de hoogste, maar niet de enige daad van volmaaktheid is. Maar ook dat spreekt Paulus tegen. Hij aarzelt niet liefde de band van volmaaktheid te noemen, zonder een dergelijk loslaten van bezittingen.3 Het is toch zeker dat de leermeester en de leerling elkaar niet tegenspreken? En de leerling ontkent duidelijk dat de volmaaktheid van de mens eruit bestaat dat hij alles opgeeft wat hij heeft. Bovendien verzekert hij dat die volmaaktheid bestaat zonder het opgeven van alles wat je hebt. Dus moeten we kijken hoe we deze uitspraak van Christus moeten opvatten: ‘Als je volmaakt wilt zijn, verkoop dan alles wat je hebt.’

De betekenis is volstrekt helder als we in rekening brengen aan wie deze woorden gericht zijn. Daar moet je altijd op letten, bij heel Christus’ prediking. De jongeman vraagt met welke daden hij toegang krijgt tot het eeuwige leven. Omdat hij vraagt naar daden op basis van de wet, verwijst Christus hem naar de wet.4 En terecht. Want dat is, op zichzelf gezien, de weg naar het eeuwige leven. Dat de wet niet in staat is om ons het behoud te bezorgen, komt nergens anders door dan door onze slechtheid. Met dit antwoord verklaart Christus dat Hij geen andere norm leert om het leven naar te richten dan de wet van de Heer die in het verleden gegeven was. Daarmee getuigde Hij van Gods wet dat die de leer was van de volmaakte rechtvaardigheid. Bovendien ging Hij daarmee in tegen laster, om te voorkomen dat het zou lijken alsof Hij met een of andere nieuwe norm voor het leven het volk zou aanzetten tot afval van de wet.

De jongeman had geen kwade bedoelingen. Hij was alleen verwaand door een ongefundeerd vertrouwen in zichzelf. Daarom antwoordt hij dat hij zich van jongs af aan alle geboden van de wet gehouden heeft. Er is natuurlijk geen twijfel aan dat hij oneindig ver verwijderd was van het doel dat hij al bereikt dacht te hebben. En als zijn pochen terecht zou zijn, zou hij van de hoogste rechtvaardigheid niets meer missen. Want ik heb hierboven al aangetoond dat de wet de volmaakte rechtvaardigheid bevat. Dat blijkt uit het feit dat de wet de weg naar eeuwig behoud genoemd wordt. Dus om hem te leren hoe weinig hij nog maar is opgeschoten in de richting van de rechtvaardigheid, waarvan hij veel te overmoedig geantwoord had dat hij haar al bereikt had, was het nodig om zijn veelvoorkomende gebrek te voorschijn te brengen. Nu was hij heel rijk en daarom was hij aan zijn rijkdom verknocht. Omdat hij deze verborgen wond niet voelde, kwetst Christus hem daar. Hij zegt: ‘Ga, verkoop alles wat je hebt!’ Als hij zich zo goed aan de wet hield als hij dacht, zou hij na het horen van deze uitspraak niet verdrietig weggegaan zijn.5 Want wie God met heel zijn hart liefheeft, beschouwt niet alleen alles wat zich tegen de liefde voor God verzet als modder. Nee, hij heeft er een dodelijke afkeer van.

Dat Christus de rijke gierigaard gebiedt alles op te geven wat hij heeft, is dus hetzelfde alsof Hij een eerzuchtig iemand beveelt alle eer, een genotzuchtig iemand elk genot en een onkuis iemand alle instrumenten van wellust vaarwel te zeggen. Als het geweten niet geraakt wordt door algemene vermaningen, moet het zo gebracht worden tot het besef van de eigen specifieke zonde.

De monniken geven dus onterecht een algemene uitleg van deze uitspraak, alsof Christus de volmaaktheid van de mens plaatste in het loslaten van je bezit. Want zijn enige bedoeling met die woorden was dat Hij de jongeman, die het bijzonder met zichzelf getroffen had, zijn wond wilde laten voelen. Dan zou hij begrijpen dat hij nog heel ver verwijderd was van de volmaakte gehoorzaamheid aan de wet die hij onterecht beweerde te hebben.

Ik geef toe dat sommige kerkvaders deze passage verkeerd begrepen hebben. Dat heeft geleid tot een hang naar vrijwillige armoede, waardoor je pas als echt gelukkig beschouwd werd als je afstand deed van al je aardse bezittingen en je naakt aan Christus overgaf. Maar ik vertrouw erop dat alle goede mensen, die niet graag in discussie gaan, tevreden kunnen zijn met deze uitleg van mij. Ze hoeven dus niet te twijfelen over wat Christus bedoelt.

1Mattheüs 19:21

21 Korinthiërs 13:3

3Kolossenzen 3:14

4Mattheüs 19:16-19

5Mattheüs 19:21-22

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in