3.7.6 – We moeten mensen goeddoen omdat ze het beeld van God zijn

0
41

Verder moeten we niet verslappen in het goeddoen. Maar dat gebeurt meteen. Daarom moet er nog iets anders bijkomen: de liefde moet geduldig zijn en niet verbitterd worden, schrijft de apostel Paulus.1 De Heer beveelt ons om in het algemeen iedereen goed te doen. Een groot deel van hen is dat helemaal niet waard, als je ze beoordeeld op grond van wat ze zelf verdienen. Maar de Schrift komt ons daarin heel goed te hulp. Want de Schrift leert ons dat we niet moeten kijken naar wat mensen zelf verdienen, maar dat we in iedereen het beeld van God moeten zien. Dat beeld zijn we alle eer en liefde verschuldigd. Ook leert de Schrift dat we datzelfde beeld nog ijveriger moeten opmerken in onze geloofsgenoten. Want door de Geest van Christus is dat beeld vernieuwd en opnieuw opgericht.2

Dus welk mens er ook op je weg komt die jouw hulp nodig heeft – je hebt geen reden om te weigeren je aan zijn belangen te wijden. Stel dat het een vreemdeling is. Dan heeft de Heer hem een kenmerk gegeven dat jou vertrouwd moet zijn.3 Stel dat het een verachtelijk en waardeloos iemand is. Dan laat de Heer zien dat hij iemand is die Hij het waard gekeurd heeft dat Hij hem getooid heeft met zijn beeld. Stel dat je zo iemand niets verplicht bent omdat hij jou ook niet geholpen heeft. Dan heeft God hem als het ware in zijn plaats gezet. Je moet erkennen met hoeveel grote zegeningen Hij jou aan zich verplicht heeft. Stel dat zo iemand het niet waard is dat je ook maar enige moeite voor hem doet. Dan wordt hij je aanbevolen als het beeld van God. Dat beeld is het waard dat je hem jezelf en alles wat je hebt ter beschikking stelt.

Zelfs al heeft zo iemand niet alleen niets goeds verdiend, maar jou zelfs getergd door je onrechtvaardig te behandelen en je kwaad te doen – zelfs dan is dat geen geldige reden om hem niet langer liefdevol te omhelzen en hem niet alle plichten van de liefde te bewijzen. Je zult zeggen: ‘Hij heeft iets heel anders van mij verdiend.’ Maar wat heeft de Heer verdiend, van wie al onze zegeningen afkomstig zijn? Hij beveelt dat je je naaste alles moet vergeven wat hij jou misdaan heeft.4 Vast en zeker wil Hij dan dat het Hem wordt aangerekend.

Er is echt maar één weg om te komen tot wat volledig indruist tegen de menselijke natuur, laat staan dat het gemakkelijk voor ons is: liefhebben wie ons haten, kwaad met goed vergelden, beledigingen betalen met zegeningen.5 Je komt hiertoe, zeg ik, als je bedenkt dat je geen rekening moet houden met de slechtheid van de mensen, maar Gods beeld in hen moet zien. Dat beeld bedekt hun zonden en wist die uit. Door zijn schoonheid en waardigheid verleidt dat beeld ons om hen lief te hebben en te omhelzen.

11 Korinthiërs 13:4-5

2Galaten 6:10

3Jesaja 58:7

4Mattheüs 6:14; Mattheüs 18:35; Lucas 17:3

5Mattheüs 5:44

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in