2.7.12 – De derde functie van de morele wet: de gelovigen aansporen het goede te doen

0
43

De derde functie van de wet is de belangrijkste. Deze functie komt dichter bij het eigenlijke doel van de wet en vindt plaats in de gelovigen, bij wie de Geest van God al in het hart leeft en regeert. Weliswaar heeft God de wet met zijn vinger in hun hart geschreven en ingeprent.1 Dat wil zeggen dat ze door de leiding van de Geest aangeraakt en bezield zijn, zodat ze God graag gehoorzamen. Maar toch hebben ze nog op twee manieren iets aan de wet.

In de eerste plaats is de wet voor hen een geschikt instrument om elke dag beter en met meer zekerheid te leren wat de Heer wil. Die wil proberen ze te doen en de wet helpt hen om hun kennis van die wil te vergroten. Het is net als bij een slaaf die de goedkeuring van zijn meester wil verdienen. Ook al wil hij dat al met heel zijn hart, toch moet hij de wensen van zijn meester steeds beter bestuderen en observeren, zodat hij zich daarnaar kan schikken. En niemand van ons mag zichzelf hiervan uitsluiten, alsof het voor hem niet nodig is. Want niemand is al zover in de wijsheid doorgedrongen dat hij niet nog verder zou kunnen komen en Gods wil niet nog beter zou kunnen leren kennen als hij elke dag onderwijs krijgt van de wet.

Maar wij hebben niet alleen onderwijs nodig. We moeten ook aangespoord worden. Daarom heeft iemand die God dient in de tweede plaats ook nog dit voordeel van de wet: als hij regelmatig de wet overdenkt, spoort dat hem aan om te gehoorzamen. Hij wordt daarin gesterkt en hij wordt afgehouden van het glibberige pad van de zonde. Want hoe enthousiast de heiligen, wat hun geest betreft, ook Gods rechtvaardigheid nastreven, toch moeten ze zich ook op deze manier aanvuren. Want ze dragen nog altijd de last van hun luie vlees, zodat ze niet zo vastberaden vooruitkomen als wel zou moeten. De wet is voor dit vlees een zweep. Als een slome en luie ezel wordt het vlees door de wet aan het werk gedwongen. Ja, omdat de geestelijke mens nog niet bevrijd is van de last van het vlees, moet de wet voor hem continu een prikkel zijn die hem niet toestaat om te gaan zitten nietsdoen.

Ongetwijfeld had David deze functie van de wet op het oog toen hij de wet met zulke schitterende lofredes prees: ‘De wet van de HEER is volmaakt en bekeert de ziel. De bevelen van de HEER zijn recht en verblijden het hart. Het gebod van de HEER is zuiver en verlicht de ogen.’2 En: Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.’3 En nog ontelbaar veel meer van zulke uitspraken in dezelfde psalm. Die lofredes zijn niet in strijd met de uitspraken van Paulus. Paulus geeft niet aan wat de wet oplevert voor hen die opnieuw geboren zijn, maar wat de wet oplevert voor de mens in het algemeen. De profeet echter bezingt hier hoeveel voordeel het onderwijs van de Heer door het lezen van de wet oplevert voor hen aan wie Hij vanbinnen de bereidheid geeft om te gehoorzamen. David heeft het hier niet alleen over de geboden, maar ook over de belofte van de genade die eraan vastzit. Alleen die belofte maakt wat bitter is zoet. Want als de wet alleen maar als eis en als dreigement de zielen met angst en schrik in het nauw brengt, wat is er dan minder aantrekkelijk dan de wet? Maar David maakt vooral duidelijk dat hij in de wet de middelaar gevonden heeft. En zonder de middelaar valt er in de wet niets heerlijks te genieten.

1Jeremia 31:33; Hebreeën 10:16

2Psalm 19:8-9

3Psalm 119:105

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in